Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

58

CHRISTENDOM EN UNIVERSEELE RELIGIE

dat wij den mythenschat van het verleden trouw moeten in waarde houden. Om dien in redelijkheid te boven te gaan, zeer zeker. Wat echter ook beteekent: ze als voorondersteld te bewaren.

Een paar vragen rijzen hier, waarvan binnen het bestek van dit kort geschrift de eene alleen maar kan worden genoemd, de andere kort aangeduid. Allereerst die naar den psychologischen aard van de verbeeldingsprocessen. Voorts de zoo gewichtige: welke indrukken worden in het bijzonder in die processen verwerkt? is hier te denken aan indrukken van een al het kenbare overschrijdende (transcendente) werkelijkheid of aan indrukken van het eene, zeker feitelijk gebrekkig gekende en veelal raadselachtige maar toch in beginsel kenbare leven? Anders beantwoorden deze vraag een religieus agnosticisme (leer, die het wezenlijke onkenbaar acht) en een concreet monisme. Ook zonder, dat wij deze vraag ook maar eenigszins volledig kunnen bespreken, stellen wij ons op het tweede standpunt, waarop alleen van een betrekkelijke transcendentie !) sprake kan zijn, d.w.z. waarop beseft wordt dat allerlei, hetwelk in beginsel kenbaar is

*) Naar het concreet monisme inziet kan volstrekte trans* cendentie nooit een vraag zijn, omdat hier in den meest vol* strekten zin een vraag zoude zijn ... zonder antwoord, d.w.z. geen werkelijke, vraag. Want elke aanwijzing in de richting van een antwoord zou moeten liggen in de gekende wereld, er zou dus iets zijn als verband, m. a. w. kenbaarheid in beginsel geen volstrekte transcendentie. Als er volstrekte transcendentie zijn zou, zou deze op geen enkele wgze van zich zelve konde kunnen doen in het kenbare, wij zouden van haar op geen wijze ooit weten kunnen, zij zou voor ons religieus noch wetenschappelijk van eenige beteekenis zijn.

Sluiten