Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

10

GELDMIDDELEN GEMEENTE IN HET ALGEMEEN

geen verder betoog, zijn ongetwijfeld „gewone' uitgaven; zij behooren te worden gedekt uit de periodiek terugkeerende inkomsten der gemeente, als die uit de exploitatie van eigendommen, belastingen enz., in het algemeen dus uit „gewone inkomsten.

Anderzijds is het duidelijk, dat groote uitgaven, bijv. voor den aanleg van belangrijke havenwerken, voor den bouw van een raadhuis enz., niet als „gewone" uitgaven der gemeente kunnen worden aangemerkt. Het nut van dergelijke uitgaven strekt zich veel verder uit dan tot het jaar, waarin zij zijn gedaan. Het zou onbillijk zijn, dit soort van uitgaven te bestrijden uit de opbrengst der heffingen van hen, die belastingplichtig zijn in het jaar, waarin de werken tot stand worden gebracht. Dergelijke uitgaven noemt men kapitaalsuitgaven. Zij worden veelal gedekt uit de opbrengst van geldleeningen; de rente en aflossing dezer leeningen bezwaren het budget van komende jaren en op deze wijze worden de belastingplichtigen, die in een langere of kortere reeks van jaren de gemeentehuishouding moeten helpen in stand houden, gedwongen hun deel bij te dragen ook in de kosten van werken, welke in een vorig jaar zijn tot stand gekomen.

Wij hebben door deze voor zich zelf sprekende voorbeelden getracht het verschil tusschen gewone en kapitaalsinkomsten en -uitgaven aan te wijzen; wij zullen er ons echter niet aan wagen, beide begrippen te definieeren. Dit heeft o. a. gepoogd mr. J. A. de Wilde in een belangwekkend prae-advies, uitgebracht voor een congres van de Vereeniging van Nederlandsche gemeenten, als conclusie waarin o. m. is opgenomen: )

„Principieel en in abstracto zijn uitgaven der gemeente gewone, indien en voor zoover het daarmede verkregen nuttigheidsrendement voor de plaatselijke gemeenschap zich ten hoogste over één begrootingsperiode uitstrekt. Principieel en in abstracto zijn uitgaven der gemeente buitengewone of kapitaalsuitgaven, indien het daarmede verkregen directe nuttigheidsrendement voor de plaatselijke gemeenschap zich over meer dan één begrootingsperiode uitstrekt, m. a. w. als aan het einde dier periode een „opgehoopte nuttigheid"

*) Ze Gemeentebestuur 1929, bladz. 269.

Sluiten