Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

26

GELDMIDDELEN GEMEENTE IN HET ALGEMEEN

van bestuur en provinciale verordeningen. De plicht daartoe is neergelegd in art. 144, derde lid, der grondwet en in het daarop steunende art. 151 der gemeentewet. Krachtens art. 240 der gemeentewet moeten „alle uitgaven, door bijzondere wetten aan de gemeente opgelegd", op haar begrooting worden gebracht; de artt. 247 en 262 dier wet bevatten het recept voor het middel, om nalatige gemeentebesturen te dwingen in deze hun plicht te doen.

Dat de uitgaven der gemeenten, vooral in onze eeuw, belangrijk zijn gestegen, is voor een waarlijk niet gering gedeelte het gevolg van de wijze, waarop het rijk heeft gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid in deze. Bij tal van wetten, die in de laatste decennia, waarin de staatsbemoeiingen een steeds grooteren omvang hebben aangenomen, zijn tot stand gekomen, zijn aan de gemeenten groote uitgaven opgelegd, welke slechts voor een betrekkelijk gering gedeelte kunnen worden gecompenseerd met bijdragen uit s rijks kas of van anderen. De aldus ten laste van de gemeente gebrachte kosten van staatszorg hebben de budgetten der gemeenten zwaar belast. Het vraagstuk van de verdeeling der lasten tusschen rijk en gemeente is zeer gecompliceerd en houdt nauw verband met dat van de financieele verhouding tusschen het rijk en de gemeenten. Wij komen daarop later terug. In het algemeen genomen is het uiterst moeilijk tusschen het terrein, dat tot de staatszorg behoort, en dat van de gemeentezorg, scherp afgebakende grenzen te trekken. Men kan wel aannemen, dat de uitgaven, bedoeld in art. 240, sub u>, der gemeentewet, derhalve alle uitgaven, aan de gemeente door bijzondere wetten opgelegd, in het algemeen rijksbelang worden gedaan, maar daarnaast zijn er nog tal van andere uitgaven, die geheel of voor een deel moeten worden gerekend in het algemeen rijksbelang te geschieden. Wij denken hier bijv. aan de wedden van den burgemeester, den secretaris, de ambtenaren van den burgerlijken stand en de ambtenaren ter secretarie en aan de kosten der gemeentepolitie. Wil men het bedrag der uitgaven, welke de gemeente in het algemeen rijksbelang doet, becijferen, dan kan dit niet anders dan volgens subjectieve opvattingen.x)

*) Zie de proeve van een dergelijke becijfering voor de gemeente Deventer (van de hand van G. Kuit), in het maandschrift Gemeentebestuur van 30 December 1926.

Sluiten