Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

28

GELDMIDDELEN GEMEENTE IN HET ALGEMEEN

over ten hoogste 4/5 van de opbrengst der binnen haar grenzen geheven rijks personeele belasting, van welke bevoegdheid natuurlijk alle gemeenten gebruik maakten. Deze regeling is de feitelijke grondslag geworden van de financieele verhouding tusschen het rijk en de gemeenten. Tusschen de opbrengst der accijnzen en de opbrengst der personeele belasting bestond uiteraard geen verband; het was dan ook geen wonder, dat voor sommige gemeenten de afschaffing der accijnzen en de vervanging daarvan door 4/s der opbrengst van de personeele belasting financieelen vooruitgang beteekenden, terwijl andere gemeenten daarvan groote nadeelen ondervonden. Bij de wet van 26 Juli 1885, S. 169 (de zoogenaamde Fixatiewet) werd getracht de onbillijkheden, die de uitkeering van 4/5 van de opbrengst der personeele belasting aankleefden, voor een deel te ondervangen door de uitkeering op een vast bedrag per jaar te bepalen. Voortaan zouden de gemeenten ontvangen */j van de gemiddelde zuivere opbrengst per jaar van de personeele belasting (hoofdsom plus rijksopcenten) over de belastingjaren 1882/83, 1883/84 en 1884/85.

Inmiddels had de wetgever aan de gemeenten bij bijzondere wetten, bijv. bij de lager-onderwijswet van 1878, tal van uitgaven opgelegd. Daar overigens van de rij ksuitkeering, die noch met de toenemende behoeften der gemeenten in het algemeen, noch met vooruitgang of achteruitgang der gemeenten in zielental rekening hield, allerlei bezwaren werden ondervonden, werd bij de wet van 24 Mei 1897, S. 156, de financieele verhouding tusschen het rijk en de gemeenten opnieuw en wel op een geheel anderen grondslag dan tot dusver had gegolden geregeld. In de memorie van toelichting op het ontwerp der wet, welke naar den naam van den minister, die haar heeft gecontrasigneerd, veelal de wet Sprenger van Eijk werd genoemd, stond o. m. geschreven:

„Het motief, waarom de staat uitkeeringen doet aan de gemeente, vloeit voort uit tweeërlei omstandigheid.

„Eensdeels toch noodzaakt de staat de gemeenten tot het doen van uitgaven in het algemeen belang.

„Anderdeels wordt aan de gemeenten belet door accijnsheffing alle ingezetenen in hare lasten te doen bijdragen.

Sluiten