Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GELDMIDDELEN GEMEENTE IN HET ALGEMEEN

35

ingediend, hetwelk heeft geleid tot de wet van 15 Juli 1929 (S. 388)*), houdende herziening van de financieele verhouding tusschen het rijk en de gemeenten en wijziging van eenige bepalingen der provinciale wet en der gemeentewet. De wet van 1897 werd daarbij* ingetrokken.

Zooals wij reeds schreven, wenschte de regeering, dat met de wijziging van de financieele verhouding tusschen het rijk en de gemeenten gepaard zou gaan een meer gelijkmatige belastingdruk in de verschillende gemeenten des lands.

De wetgever heeft getracht dit doel te bereiken door het nemen van de volgende maatregelen:

a. den gemeenten werd het recht ontnomen tot heffing van een eigen inkomstenbelasting en daardoor tevens van een forensenbelasting, alsmede tot heffing van opcenten op de rijksinkomstenbelasting;

b. het maximum aantal opcenten, dat de gemeenten mochten heffen op de hoofdsom der vermogensbelasting (100), werd teruggebracht tot 50;

c. aan de gemeenten zou voortaan worden uitgekeerd:

1. de geheele opbrengst van de ter plaatse geheven hoofdsom der personeele belasting;

2. 75 % van de opbrengst van de ter plaatse geheven hoofdsom der grondbelasting;

d. de gemeenten kregen de bevoegdheid opcenten te heffen op de hoofdsom der nieuw ingestelde gemeentefondsbelasting tot een absoluut maximum van 100. *)

') De omvang van dit werk laat slechts toe omtrent deze wet eenige algemeene opmerkingen te maken. Wij zien ons daarom genoodzaakt verder te verwijzen naar de hieromtrent bestaande uitgebreide vaklitteratuur, waaruit wij noemen: dr. C van den Berg en mr. H. J. D. Revers, Wet tot herziening van de financieele verhouding tusschen en °e g!meenten' 1' G. M. van Beukering, De uitkeeringen uit het gemeentefonds, mr. H. W. J. Mulder, De uitkeeringen uit het gemeentefonds, J. J. Talsma De financieele verhouding tusschen het rijk en de gemeenten en U. de Vries, De wijziging van de financieele-verhoudingswet.

vl F™ dewet van4 Maart '935, S. 76, houdende voorzieningen ter zake van gemeentelijke kosten van werkloosheid is bepaald, dat, in afwijking van de daaromtrent bestaande

ro^nfe ^ ön,!eMnde «emeenten o*" <k belastingjaren 1935 en 1936, respectievelijk ivjj/iyjo en iyjo/1937:

£ niet ""«en heffen dan 40 opcenten op de hoofdsom der vermogensbelasting; • t. van de opbrengst der hoofdsom naar de eerste drie grondslagen van de personeele belasting niet meer zullen ontvangen dan 20 %;

Sluiten