Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GELDMIDDELEN GEMEENTE IN HET ALGEMEEN

39

voorschrift, algemeene regelen geeft ten aanzien van de plaatselijke belastingen, maakt daarbij tusschen belastingen in engeren zin en retributiën geen verschil. Uitdrukkelijk bepaalt zij in art. 275, dat voor plaatselijke belastingen worden gehouden „de in naam der gemeente gevorderde weg', straat-, brug-, kaai,- haven-, kraan-, sluis-, dok-, boom- en veergelden, wik-, weeg-, meet- en keurloonen, gelden voor banken of standplaatsen in hallen, op markten en dergelijke openbare plaatsen, begrafenisrechten en andere gelden voor het gebruik of genot van voor den openbaren dienst bestemde gemeentewerken, bezittingen of inrichtingen en dat van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten". Mede worden (art. 275, derde lid) voor plaatselijke belastingen gehouden „dé door de gemeente gevorderde gelden wegens het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor den openbaren dienst bestemden gemeentegrond of voor den openbaren dienst bestemd gemeentewater, ook indien deze gelden niet kunnen worden aangemerkt als gevorderd voor het gebruik of genot van voor den openbaren dienst bestemde gemeentewerken, bezittingen of inrichtingen .

Er is vroeger wel eens getwist over de vraag, of ook de heffingen van de gemeentebedrijven voor levering van gas, water, enz. als retributiën moeten worden beschouwd, maar deze vraag is in de latere jaren ontkennend beantwoord, omdat men zich op het standpunt stelde, dat deze bedrijven als privaatrechtelijke ondernemingen der gemeente waren te beschouwen, op welke de bepalingen nopens belastingen niet van toepassing konden zijn x). Bij deze opvatting heeft de wetgever zich in 1920 aangesloten; uitdrukkelijk is thans in een aan art. 275 toegevoegde tweede alinea bepaald, dat niét als belasting is te begrijpen „de betaling, welke de gemeente eischt als exploitante van bedrijven, zooals gasfabrieken, electriciteitswerken, ondernemingen van vervoer, telefoon, waterleidingen en evenmin de betaling voor diensten, waartoe de gemeente tijdelijk haar personeel ter beschikking van particulieren stelt".

') Zie echter over de vraag of de bedrijven der gemeente als privaatrechtelijke ondernemingen zijn te beschouwen, het arrest van den hoogen raad van 2 Npvember 1925, (W.o.h.R. no. 11471) en bet vonnis der arrondissements-rechtbank te Leeuwarden van 11 November 1926 {W.o.h.R. no. 11621).

Sluiten