Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

46

GELDMIDDELEN GEMEENTE IN HET ALGEMEEN

Pensionneeringambtenaren.

gebracht door de in 1918 ingestelde staatscommissie voor de bezoldiging van het gemeentepersoneel. Deze commissie heeft, met het oog op de uiteenloopende titulatuur van het gemeentepersoneel, niet getracht de verschillende functies in de groepsindeeling met name te noemen, doch zij heeft een opsomming gegeven van de eischen, welke aan het in de groepen in te deelen personeel moeten worden gesteld. Daarbij heeft zij onderscheid gemaakt tusschen de noodige kennis, welke de titularissen moeten bezitten, de verantwoordelijkheid, welke op hen drukt en de leiding, welke zij mogelijk moeten geven.

Het rapport der commissie-Schouten, waarop wij op bladz. 43 doelden, geeft in hoofdstuk V in de in 29 punten vervatte „conclusies algemeene regelen omtrent de eischen, waaraan o. m. de salarieering van het gemeentepersoneel moet voldoen.

Volledigheidshalve zij hier nog vermeld, dat de wedden van den burgemeester — die trouwens niet als gemeente-ambtenaar valt aan te merken —, die van den secretaris, die van den ontvanger en die van den ambtenaar van den burgerlijken stand niet door den raad, doch door gedeputeerde staten, onder goedkeuring der Kroon, worden geregeld. Den raad is in dezen slechts een adviseerende stem toegekend. De jaarwedden van den hoofdcommissaris en de commissarissen van politie worden geregeld door de Kroon, gedeputeerde staten en den raad gehoord *).

Vóór de totstandkoming der pensioenwet 1922 (S. 240) 2) bestond op het gebied der pensioenwetgeving voor het personeel der gemeente volstrekt geen eenvormigheid. Werden b.v. de leeraren aan gemeentelijke inrichtingen voor middelbaar en hooger onderwijs voor de toepassing der bepalingen omtrent pensioen als burgerlijke ambtenaren aangemerkt en waren de pensioensrechten der onderwijzers bij het lager onderwijs in de lager-onderwijswet

*) De vraag of de verhouding tusschen de gemeente en haa personeel wordt beheerscht door privaat- of publiekrechtelijke voorschriften laten wij onbesproken. Zie daarover het artikel,.Enkele opmerkingen over het ambtenarenrecht "door prof. mr. dr. Van der Grinten in het maandschrift Gemeentebestuur van 1926 (blz. 184 en V.).

2) Literatuur: M. Ort en C. E. van Nieuwenhuizen, De pensioenwet 1922; H. A. J* Rinnooij, De pensioenwet 1922 met toelichtingen; Stam en Jansen, De pensioenwet 1922 (S. 240) met toelichtingen, enz.; Van Wijk, Pensioenwet 1922 met aanteekeningen.

Sluiten