Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

114

HET GELDELIJK BEHEER DER TAKKEN VAN DIENST

noodig maakte voor het afzonderlijk kasbeheer, uit te breiden tot een regeling van het geheele financieel beheer van het betrokken bedrijf. Deze regeling, welke men meestal met den naam van bedrijf sverordening aanduidde, behoefde feitelijk slechts de goedkeuring van gedeputeerde staten, voor zoover zij, wat het doen van ontvangsten en uitgaven betrof, andere regels inhield dan in de artt. 113 en 114 der wet waren gesteld, maar de practijk leerde, dat de vereischte goedkeuring niet werd verleend, indien de overige bepalingen der verordening in strijd waren met de inzichten van gedeputeerde staten.

Tot de regelen, welke in de bedrijfsverordeningen werden opgenomen, behoorde meestal ook het voorschrift, dat voor het bedrijf jaarlijks een afzonderlijke begrooting zou worden opgemaakt, dat daarvoor een afzonderlijke boekhouding zou worden gevoerd en dat over elk jaar een afzonderlijke rekening zou worden overgelegd. Men kon er over twisten of de gemeentewet, die voor de ontvangsten en de uitgaven der gemeente maar één begrooting en één rekening kende, de vaststelling van afzonderlijke begrootingen en rekeningen voor bepaalde onderdeelen der gemeentehuishouding wel gedoogde, maar in de practijk werd daartegen geen bezwaar gemaakt. De begrootingsvoorschriften 1924 en de rekeningsvoorschriften 1924 gaven omtrent de opmaking van de bedrijfsbegrootingen en -rekeningen zelfs min of meer uitvoerige regelen, ofschoon de wettelijke basis hiervoor niet aanwezig was. Deze voorschriften bepaalden aanvankelijk, dat onder bedrijven waren te verstaan:

a. de ondernemingen van nijverheid, welke de gemeente, al behooren zij niet noodwendig tot haar taak als overheid, exploiteert;

b. de overige takken van dienst, welke krachtens een verordening als bedoeld in art. 114Ats (thans 122) der gemeentewet, als zelfstandige inrichtingen worden beheerd.

Deze begripsbepaling bleek, met betrekking tot het doel der voorschriften — het geven van regels omtrent de opmaking van de begrootingen en de rekeningen — niet juist te zijn; de bepalingen omtrent de bedrijfsbegrootingen en de bedrijfsrekeningen konden immers geen toepassing vinden voor die ondernemingen van nijverheid, ten aanzien waarvan geen regeling was getroffen, als bedoeld in art. 114tó (thans 122) der gemeentewet.

Sluiten