Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET GELDELIJK BEHEER DER TAKKEN VAN DIENST

115

Daarom werd later nader bepaald, dat onder bedrijven waren te verstaan „de administratiën, welke krachtens een verordening als bedoeld in art. 1 \4bu (thans 122) der gemeentewet, zijn ingesteld en afzonderlijk worden beheerd".

Ook deze definitie, waarin een „bedrijf" wordt genoemd een „administratie", was niet fraai, maar zij was voor het beoogde doel — de toepassing der voorschriften — duidelijk.

Eerst bij de wet van 31 Januari 1931, S. 41 *), werden in de gemeentewet omtrent het beheer der bedrijven regelen gegeven. Art. 252 der wet bepaalt thans:

1°. dat ten aanzien van de door den raad, onder goedkeuring van gedeputeerde staten, aangewezen takken van dienst, behalve de ontvangsten en uitgaven, welke een gevolg zijn van de geldelijke verhouding tusschen deze takken en den algemeenen dienst der gemeente, in de gemeentebegrooting slechts worden opgenomen de geraamde voor- of nadeelige saldo's;

2°. dat de onder 1 °. bedoelde takken van dienst worden beheerd volgens door den raad, onder goedkeuring van gedeputeerde staten, vastgestelde regelen.

Voor de aangewezen takken van dienst wordt — zoo is in art. 253 bepaald — jaarlijks een afzonderlijke begrooting vastgesteld.

In de practijk hebben de nieuwe bepalingen reeds tot vele vragen en tot veel verschil van inzicht geleid *). De wet gebruikt hier ook thans het woord „bedrijven" niet *), doch spreekt van „takken van dienst", zulks om onder de bepalingen der artt. 252 en 253 ook te laten vallen die onderdeelen der gemeentehuishouding, welke men in het spraakgebruik niet als bedrijven pleegt aan te duiden, doch waarvoor het vaststellen van afzonderlijke begrootingen toch zeer gewenscht kan zijn. Men denke hierbij bijv. aan diensten voor maatschappelijk hulpbetoon en andere onderdeelen der gemeentehuishouding, waaraan het karakter van een bedrijf te eenenmale vreemd is.

*) In werking getreden op 15 April 1931.

*) Zie een artikel van B. Slettenaar in Financieel Overheidsbeheet, 1931, blz. 353 en v. *) Wel wordt, doch in een ander verband, in art 275, tweede lid, van „bedrijven" gesproken.

Sluiten