Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

178

FINANCIEEL BEHEER GEMEENTE EN VOLKSHUISVESTING

dan men gewoonlijk aan arbeiderswoningen stelt en die men daarom wel eens met „kleine middenstandswoningen" aanduidt1).

De rente en de aflossing der voorschotten, welke uit 's rijks kas voor woningbouw worden verstrekt, moesten volgens de woningwet, zooals zij luidde vóór de wijziging bij de wet van 16 April 1915, S. 198, worden voldaan in ten hoogste 50 jaarlijksche annuïteiten; bij de bedoelde wet is, om de exploitatierekeningen der woningen eenigermate te ontlasten, het aantal annuïteiten bepaald op ten hoogste 75 2). Door betaling van rente en aflossing bij wijze van annuïteit wordt bereikt, dat de opvolgende jaarlijksche exploitatierekeningen der woningen met een gelijk bedrag aan rente en afschrijving (de afschrijving wordt meestal gelijk gesteld aan het aflossingsbestanddeel der annuïteit) worden belast, en ook, dat in normale omstandigheden de jaarlijksche ontvangsten en uitgaven voor de woningen in evenwicht kunnen worden gehouden. Dit wordt mede in de hand gewerkt, door de betaling van de steeds varieerende onderhoudskosten der woningen te laten geschieden uit een onderhoudsfonds, dat gevormd wordt door uit de exploitatie-inkomsten jaarlijks een bepaald bedrag per woning te reserveeren. Daar de overige uitgaven, als grondbelasting, beheerskosten, assurantiepremiën enz. of van weinig beteekenis zijn of in de opvolgende jaren nagenoeg gelijk blijven, kan men bij betaling van rente en aflossing der voorschotten bjj wijze van annuiteit bereiken, dat ook het totaal der lasten van het woningcomplex nagenoeg constant is.

Bij de wet van 14 Juni 1934, S. 316, is nader bepaald, dat de rente en de aflossing der voorschotten moeten worden voldaan in ten hoogste 75 jaartermijnen of annuïteiten, die voor zekere perioden kunnen worden vastgesteld8). De aflossing in gelijke termijnen leidt wel tot daling van den rentelast, maar kan, zoo schreef de regeering in de memorie van toelichting tot het ontwerp der wet, een belemmering rijn voor een noodzakelijk gebleken huurverla-

*) Zie voor „gewone" middenstandswoningen blz. 192 en v.

*) In 1935 zijn de vervaldagen van alle door één gemeente verschuldigde annuïteiten op één datum gesteld.

*) Art. 52, derde lid en art. 56, tweede lid, der woningwet.

Sluiten