Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

FINANCIEEL BEHEER GEMEENTE EN VOLKSHUISVESTING

193

het bedrag van de kosten, welke de uitvoering van het bouwplan in 1914 zou hebben gevorderd. Op deze basis is in verschillende gemeenten destijds steun verleend aan talrijke, dikwijls inderhaast opgerichte, middenstandswoningbouwvereenigingen, welker leden veelal bestonden uit personen, die lang vruchteloos naar een voor hen geschikte woning hadden gezocht. Het kapitaal, dat de leden dezer vereenigingen uit eigen middelen bij elkaar vermochten te brengen, was uiterst gering; het grootste gedeelte der bouwkosten moest dan ook worden gevonden uit de opbrengst eener geldleening. De geldschieters namen, met het oog op de onzekere tijden, er meestal geen genoegen mede, dat zij voor de door hen verstrekte sommen hypotheek verkregen óp de te stichten woningen; zij eischten daarnaast veelal, dat de gemeente de rente en de aflossing der leening zou waarborgen.

Het noodige bedrag voor grond en woningen werd derhalve verkregen uit:

a. het eigen kapitaal der vereeniging;

b. de bijdragen van rijk en gemeenten in de kosten van aankoop van grond en de bouwkosten der woningen;

c. de opbrengst eener leening, veelal onder hypothecair verband van grond en woningen, van welke leening de betaling van aflossing en rente werd gegarandeerd door de gemeente.

Rente en aflossing der leening moesten uit de exploitatie-inkomsten, dus uit de huren, worden gevonden. Om te voorkomen, dat de vereeniging, daartoe door den financieelen steun van rijk en gemeente in staat gesteld, na geheele aflossing der leening, op kosten der gemeenschap, den onbezwaarden eigendom van grond en woningen zou verkrijgen, werd aan den steun meestal o. m. de voorwaarde verbonden, dat de gemeente te allen tijde het recht zou hebben de woningen te naasten en dat de gemeente in elk geval na verloop van een bepaalden tijd (meestal 50 jaren) den eigendom van grond en woningen zou verkrijgen, zonder dat ter zake van die eigendomsverkrijging van haar eenigerlei betaling kon worden gevorderd. Door de betaling van haar bijdrage in de stichtingskosten der woningen verzekerde zich de gemeente dus het toekomstig eigendomsrecht daarvan. Daartegenover stelde het rijk echter als voorwaarde,

Leppink - Gem.-fin. 13

Sluiten