Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

202

FINANCIEEL BEHEER ONDERDEELEN GEMEENTEZORG

bepaling blijkt niet, uit welke openbare kas de uitgaven voor het bijzonder onderwijs moeten worden bestreden. De lager-onderwijswet 1920, zich aansluitende bij het door de zoogenaamde bevredigingscommissie *) aangegeven denkbeeld, heeft ze gedeeltelijk gebracht ten laste van het rijk en gedeeltelijk ten laste van de gemeente.

De jaarwedden van het onderwijzend personeel aan scholen voor gewoon lager en uitgebreid lager onderwijs worden zoowel aan de gemeente als aan de besturen van bijzondere scholen volgens regelen, door de wet gegeven, voor een beperkt aantal onderwijzers door het rijk vergoed. Zijn aan gemeentelijke scholen meer onderwijzers werkzaam dan het aantal, waarvoor het rijk vergoeding geeft, dan komen de wedden dier onderwijzers ten laste van de gemeentekas. In dat geval moet de gemeente aan de besturen van bijzondere scholen, waaraan ook dergelijke onderwijzers werkzaam zijn, de jaarwedden van die onderwijzers vergoeden (art. 100). Als grondslag voor de berekening dier vergoeding geldt het gemiddeld aantal leerlingen per onderwijzer aan de gezamenlijke overeenkomstige openbare scholen. De vergoeding wordt uitgekeerd over het tijdvak, gedurende hetwelk aan de openbare school meer onderwijzers werkzaam zijn dan het aantal, waarvan de jaarwedden door het rijk aan de gemeente worden vergoed en tot één jaar daarna. Indien de gemeente ten behoeve van een of meer openbare scholen vakonderwijzers heeft aangesteld, moet rij jaarlijks aan de bijzondere schoolbesturen, welke ook vakonderwijzers hebben aangesteld, volgens bij de wet gestelde regelen een vergoeding uitkeereik

De overige kosten van de gemeentelijke scholen voor lager onderwijs, zooals stichting, uitbreiding, onderhoud enz. van schoolge-

Jaarwedden onderwijzend personeel gewoon lager en uitgebreid lager

onderwijs.

Overige kosten gemeentescholen.

l) Aldus werd genoemd de bij koninklijk besluit ven 31 December 1913, no. 10, ingestelde staatscommissie, aan welke o. m. was opgedragen „wettelijke voorschriften te ontwerpen ten aanzien van de voorziening in de kosten van het openbaar en he* bijzonder onderwijs, waardoor de deugdelijkheid en de krachtige vooruitgang van het onderwijs der jeugd worden verzekerd, onder voorbehoud van de opvoedkundige zelfstandigheid van het bijzonder onderwijs".

Sluiten