Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

FINANCIEEL BEHEER ONDERDEELEN GEMEENTEZORG

209

De scholen worden onderscheiden in plaatselijke scholen en centrale scholen. Is de helft of meer dan de helft der leerlingen afkomstig uit één gemeente of uit naburige gemeenten, dan behoort de school tot de eerste categorie. Scholen, van welke meer dan de helft der leerlingen afkomstig is uit het geheele rijk of uit een groot gedeelte van het rijk, worden aangemerkt als centrale scholen.

Inde kosten der scholen wordt door het rijk, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan, een bijdrage verleend zoowel aan de gemeente als aan rechtspersoonlijkheid bezittende instellingen of vereenigingen, welke een school in stand houden. Die bijdrage bestaat uit een vergoeding van de aan het verplicht personeel uitbetaalde jaarwedden, vastgesteld volgens de minima van art. 13 van het genoemde koninklijk besluit, alsmede een vergoeding van de wedden van hen, die zijn aangewezen voor een proeftijd of voor tijdelijke waarneming eener betrekking van onderwijzer of van hoofd der school. De centrale scholen ontvangen bovendien van het rijk een tegemoetkoming in de kosten van materieele exploitatie. Een voor de rijksbijdrage in aanmerking komende plaatselijke bijzondere school heeft aanspraak op een bijdrage van de gemeente, waarin de school is gevestigd, bestaande uit een tegemoetkoming in de kosten van materieele exploitatie, welke gelijk is aan die van het rijk aan de centrale scholen. De gemeente is echter bevoegd een hoogere bijdrage te verleenen. In het zooeven aangehaalde koninklijk besluit zijn voorts verschillende bepalingen opgenomen, welke financieele gelijkstelling tusschen openbaar en bijzonder buitengewoon lager onderwijs beoogen.

Ind len een bijzondere plaatselijke school, welke aanspraak heeft op een bijdrage van de gemeente, wordt bezocht door kinderen, die niet wonen in de gemeente, waar die school is gevestigd, heeft deze gemeente aanspraak op een uitkeering van de gemeente, waann de kinderen woonachtig zijn. Deze uitkeering bedraagt voor scholen voor doofstommen en blinden ƒ 20,— en voor de overige scholen ƒ 15,— per jaar en per kind.

Onder vervolgondenvijs wordt verstaan het onderwijs, gedurende Verrotgten minste twee achtereenvolgende leerjaren, aan hen, die de lagere onderw,'s-

Leppink - Gem.-fin. 14

Sluiten