Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

258

BOEKHOUDING EN FINANCIEELE EINDREKENINGEN

uitkeeringen en belastingen hebben betrekking op een tijdvak, loopende van 1 Mei van het eene tot 1 Mei van het daarop volgende jaar.

Zoo moet b.v. van de uitkeeringen uit het gemeentefonds, voor zoover zij betreffen die per inwoner en de jaarwedden van den burgemeester en den secretaris, over het uitkeeringsjaar 1935/1936 in de gemeenterekening over 1935 worden verantwoord % en in die over 1936: 1/4.

Omtrent de verantwoording van de opbrengst der opcenten op de gemeentefondsbelasting is bepaald, dat op elk dienstjaar moet worden verantwoord:

a. betreffende het in het dienstjaar aanvangende belastingjaar hetgeen van het rijk tot de sluiting van het dienstjaar wordt ontvangen, met dien verstande, dat niet meer mag worden verantwoord dan een bedrag, gelijk aan a/8 der opbrengst, geraamd bij de gemeentebegrooting of, zoo daarin wijziging is gebracht, bij de vaststelling van het aantal opcenten;

b. betreffende het in het dienstjaar eindigende belastingjaar het verschil tusschen het door het rijk in totaal uitgekeerde bedrag en het op het vorige dienstjaar verantwoorde bedrag.

Een voorbeeld moge dit verduidehjken.

Bij de gemeentebegrooting voor 1935 is de opbrengst over het belastingjaar 1935/1936 geraamd op ƒ 180.000,—. Hiervan komt ten bate van den dienst 1935 het bedrag, dat vóór 1 Juli 1936 is ontvangen, echter tot een maximum van % van ƒ 180.000- = / 120.000-

De opbrengst over het belastingjaar 1934/1935 bedroeg ; . . • / 210.000-

Hiervan is in de rekening 1934 verantwoord % van ƒ 195.000 — (raming voor het belastingjaar 1934/1935) • » 130.000-

Ten bate van 1935 komt het verschil of . . . „ 80.000,— Totaal te verantwoorden op 1935 . . . ƒ 200.000,

Ten aanzien van de verantwoording van de opbrengst der op-

Sluiten