Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9

JAARTAL 1879

Woords de groote werken Gods verkondigen, maar aan bet opstellen van een Belijdenis zou niemand denken.

Maar nu er vijanden buiten zijn die lasteren, en vijanden van binnen, die de levenswateren der kerk telkens onzuiver maken en vergiftigen, nu moet de kerk wel tot den vijand van buiten opstaan en zeggen: Wat gij mij toedicht is niet mijn belijden; maar wilt ge weten wat ik belijd, zie het hier F en voorts tot den vijand van binnen er bijvoegen: „Zie toe, dat ge mijn schapen niet van den Sprinkader des levenden Waters naar uw gebroken waterbakken toelokt, want dan zal ik de trouwe Herder zijn, die u als wolven in lammerenvacht, aan mijn Confessie openbaar !"

Vandaar dat zulk een Confessie alleen in den nood wordt geboren, en in haar kern nooit een theologisch opstel, maar een noodkreet der ziel en een kreet van verrukking over de grootheid van Gods ontfermingen is.

Men gaat daar niet zoo eens voor zitten; men benoemt daar geen Commissie voor, men pluist dat niet uit.

Neen, zulk een Confessie is voor den Gereformeerde poëzie, een lied der ziele, een kunststuk, product van geestes-genie in de ziel van een daartoe door God bereid instrument.

Er is niet zekere heer De Brés, die zeker opstel van artikelen samenlijmt en dit nu aan een Synode toezendt, om het te laten keuren. Neen, maar er is de levende God, die zich ontfermt over zijn wegzinkende kerk, en nu een De Brés doet geboren worden en hem tot een instrument bereidt en met Zijn Geest in hem werkt, en er het geloofslied in artikelen-strophen uit doet komen, en het nu aan Zijn kerk brengt en tot haar spreekt: „Ziehier het woord naar uw hart!"

Blz. 95 en 96.

Wie met het beweren voor den dag komt, dat de goede naam onzer Confessie niet ongerept meer is, die moet dat niet maar zoo in een boek of op de markt zeggen, maar die moet zijn aanklacht indienen ter plaatse waar zulks behoort, d.1. bij den kerkelijken rechter.

Niet opeens bij den Hoogen Raad, maar eerst bij de Classis. Dan hooger op. En zoo eindelijk bij de Synode.

En nu moet iemand, komende tot den kerkdijken rechter, niet zeggen:

„Lieve rechter, ik kom beschuldiging inbrengen tegen uw Confessie; dus maak, bid ik u, een plaatsje voor mij naast u, dat ik met u als rechter ga zitten"; want dan zou men, onder menschen

Sluiten