Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

17

JAARTAL 1880

twijfel geopperd: of wel een vereeniging van personen, als aan het hoofd staan van de op te richten Vrije Universiteit, het recht heeft om een universiteit te stichten, professoren te benoemen enz.; vervolgens beweerd, dat aan de curatoren der bedoelde universiteit, hoe vele uitmuntende eigenschappen zij ook bezitten, de taak van professoren te benoemen, door een onbevoegde macht was opgedragen; en eindelijk verklaard, dat het hem zeer aangenaam zou zijn, indien de vraag: wie mag eigenlijk een universiteit stichten? eens grondig werd besproken.

Tot deze grondige bespreking nu gordde Dr Kuyper zich aan. En op grond der bepalingen van het stellige recht èn in Staat èn in Kerk alsook krachtens de beginselen van het zoogenaamde theoretische recht in die beide, en bovendien met verwijzing naar hetgeen de vergelijkende rechtsstudie leert, wordt hier de vraag: Wie mag een universiteit stichten, duidelijk, overtuigend en in den gloed der ingenomenheid met zijn onderwerp, voor ieder, die het weten wil, door Dr Kuyper beantwoord.

Op blz. 14 van deze brochure komt nog een belangrijke noot voor inzake een visite-historie. Reeds in het Publyck Epistel, dat hij vooraf liet gaan aan de Revisie der Revisie-legende, gewaagde de schrijver van een bezoek door Dr van Toorenenbergen in de dagen van het opkomen der aanvullings- en universiteitsplannen, aan meer dan één der vermogende christenen in Den Haag gebracht, van wie te verwachten was, dat ze de universiteitsplannen zouden steunen. Daarvan schreef Dr Kuyper:

Tot zelfs bij wijlen Mevrouw de Douairière Groen van Prinsterer gingt gij bezoeken brengen, om den kring mijner meervermogende vrienden toch vooral elke gave en eiken geldelijken steun aan de Vrije Universiteit te ontraden.

De bezoeken hebben doel getroffen; want toen, om van anderen te zwijgen, Mevrouw Groen van Prinsterer, die eerst gesproken had van een „iets van baar kapitaal voor ons te zullen losmaken", kort daarop liggen ging, heeft ze, aan haar mondelinge beschikkingen toekomende, slechts een betrekkelijk kleine som ons vermaakt.

Dit laatste vermeld ik met stillen dank. Immers, er blijkt dan toch uit, dat het u niet gelukt was de edele vrouw te overtuigen, dat haar gemaal eigenlijk aan uw kant stond. Dan toch had ze niets mógen geven. Maar het enthousiasme hadt ge gebluscht; de kracht tot offervaardigheid gebroken het doel van uw reis was gelukt.

Kuyper BibL 2

Sluiten