Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAARTAL 1880

30

Aan het einde eischte de redenaar deze Souvereiniteit in eigen kring ook op voor het levensbeginsel der Vrije Universiteit

En zoo trad dan onze kleine school het leven in, met den Universiteitsnaam, zelve tot blozens toe verlegen: aan geld arm; zeer sober bedeeld met wetenschappelijke kracht, en aan der menschengunst eer gespeend dan verzadigd. En wat dan nu haar leven zal zijn? O, duizend vragen die met haar toekomst saamhangen, ze kunnen zich niet sterker in uw twijfelend denken verdringen, dan ze gestormd hebben in dit hart! Slechts door het telkens weer zien op ons heilig beginsel, hief na eiken golfslag, die over ons henen sloeg, het moede hoofd zich weer even moedig uit de wateren op. Indien toch uit den Machtige Jacobs deze zaak niet ware, hoe zou ze stand kunnen houden? Want ik overdrijf niet, het is tegen al wat groot heet, het is tegen een wereld van geleerden, het is tegen heel een eeuw, een eeuw van zoo ontzaglijke bekoring, ingaan en oproeien, wat we met de stichting dezer school bestaan. En daarom: zie vrij, zoo laag uw zelfbesef meent dit te moeten doen, neder op onze personen, op onze wetenschappelijke beduidenis. „God alles en alle mensch niets te achten", is het Calvinistisch credo, dat u daar volle recht op schenkt

Dit ééne slechts bid ik u, ook al waart ge onze felste wederpartijder, onthoud aan de geestdrift die ons bezielt den tol van uw eerbied niet. Want immers, die belijdenis, waar wij weer het stof van wegvaagden, was eens de zielskreet van een vertrapte natie; die Schrift, voor wier gezag wij buigen, heeft als onfeilbaar Godsgetuige eens de bedroefden getroost in uw eigen geslachten; en die Christus wiens naam we in deze Stichting eeren, is hij niet de Bezieler, de Aangebedene uwer eigen vaderen geweest? Stel dus al, dat het dan wezenlijk met de Schrift uit en het Christendom een overwonnen standpunt ware, ook dan nog vraag ik: Is dan toch dat Christendom ook in uw oog, historisch, niet een te imposant, een te majestueus, een te heilig verschijnsel geweest, om smadelijk inéén te zinken en om te vallen zonder eer? Of is er dan geen Noblesse oblige meer? En mocht een banier als we van Golgotha meedroegen, dan ooit in 's vijands handen vallen, zoolang niet het uiterste was beproefd, nog één pijl onverschoten bleef, en er nog een lijfgarde, hoe klein ook, van dien door Golgotha gekroonde op deze erve leeft?

Op die vraag, M. H.l op die vraag heeft een: „Bij God, dat nooit 1" in onze ziel weerklonken. Uit dat: „Nooit" is deze Stichting geboren. En op dat „Nooit", als eed van trouw aan hooger be-

Sluiten