Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAARTAL 1881

54

vernemen, dat Mozes' boeken, niet slechts wat redactie, maar ook wat den inhoud betreft, van veel later oorsprong zijn. Het zich laten gezeggen, dat het bericht van schepping en val maar heilige phantasieën zijn, dat Daniël een vroom bedrog is, ja zelfs, dat het woord der Apostelen niet normatief kan zijn, noch voor onze belijdenis, noch zelfs voor het beeld, dat we ons vormen van den Heer. En dat alles moet ze dan aanhooren, terwijl diezelfde heeren als 't op de belijdenis gaat, haar toeroepen: „Neen, niet de Formulieren, maar Gods Woord, zoo alleen, is het Gereformeerd belijdenI" om als men dan vraagt: „dus de Schrift 1" tot antwcord te ontvangen: „neen maar, Gods Woord in die Schrift" :> n als ze dan verder onderzoekt: „dus wat daar als Gods Woord in staat?" wederom te moeten hooren: „neen, ook dat niet, dat noemden de profeten wel overdrachtelijk zoo maar het was eigenlijk product van hun eigen gedachten 1" En zie M.H., daar nu komt de gemeente Gods, diep beleedigd, met al den diepen vrijheidsdorst en al de blanke oprechtheid van haar trouw, toornende met heiligen toorn, tegen op. Daar lijdt ze onder als onder een spotten met den ernst van haar hart, als onder een spelen met haar zielsnooden. Dat krenkt haar als de beleediging van een hoonend clericalisme. Daar gaat ze in den naam des Heeren tegen in

Deze redevoering, die ruim twee uur duurde, werd gevolgd door de voorlezing der Annales Academici, en beslaat in het Kuyperiaansche groot octavoformaat 50 bladzijden. Daarachter vindt men dan nog ruim 10 bladzijden Aanteekeningen, 74 in getal. In die Aanteekeningen, die slechts zeer enkele punten verduidelijken, verklaart de schrijver allerminst te bedoelen, het veelomvattend onderwerp, hetzij dialectisch, hetzij met het oog op de literatuur, toe te lichten. Dit zou meer dan een boekdeel eischen, en kon eerst dan gegeven worden, als de hier in schets gebrachte denkbeelden in een volledige Encyclopaedie en in een afzonderlijk tractaat over de Locus de S. Scriptara door den schrijver zouden worden uitgewerkt. Critiek op zijn standpunt verzocht hij dus, indien meer dan oppervlakkige bespreking bedoeld werd, tot later te willen uitstellen. Men zou het immers wel billijk vinden, dat hij eerst op het College geheel deze materie doorwerkte, eer ze gepubliceerd werd. Wat hij met deze redevoering bedoelde, was dan ook niets anders dan in algemeene trekken zijn standpunt aan te duiden. Er waren er, die met ernst hem om zulk een program van Schriftbeschouwing hadden ge-

Sluiten