Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAARTAL 1881

60

Is mijn vermoeden juist, dan bewoog U hiertoe de omstandigheid, dat in dit boekske o.a. door U was opgenomen een opstel, voorkomende in het moderne weekblad De Vrijheid, jaargang 1881, No. 47, en waarvan ik nu eerst, niet zonder zeker gevoel van verbazing, U als den schrijver leerde kennen.

In dit opstel velt Gij vonnis over een uitspraak aangaande den Textus receptus van het Nieuwe Testament, te vinden op blz. 39 van de redevoering, waarmee ik ten vorigen jare mijn rectoraat van de Vrije Universiteit neerlegde. Het door mij daar geuite gevoelen strookte niet met het Uwe, en dit gaf U aanleiding, niet om het te weêrleggen, maar om het als een curiosum in de theologische wereld ten toon te stellen. Zóó ten toon stellen, dat Gij zelfs aanleiding meendet te vinden, om zeker niet zonder zekere minachting, de woorden uit Uw pen te laten vloeien: Zoo ik den onzin begrijp."

Het zij mij geoorloofd, Hoog Geleerde Heer, U over dit stukske, door U als „zelfbedrog" betiteld, mijn leedwezen te betuigen.

Eens waart Gij mijn leermeester en uit de jaren van mijn academieleven roept ook Uw naam de herinnering voor mij op van veel welwillendheid Uwerzijds door mij ondervonden.

Zulk een betrekking behield voor mijn hart steeds iets teeders. En hoezeer latere vorming mij ook dwong de oogen te openen, voor wat ik meende in de doctrina mijner vroegere hooggewaardeerde leermeesters te moeten verwerpen, toch heeft dit nooit den eerbied doen verminderen, waarmeê ik voor hen vervuld was, noch den dank verkoeld, waarmeê ik hunne, eertijds mij betoonde, welwillendheid herdacht.

Zoo gelukte het mij dan ook, zelfs met diegenen mijner vroegere leermeesters, van wier opinie ik nog veel verder afweek dan van de Uwe, op vriendschappelijken voet te blijven. Steeds was ik er op bedacht in publiek geschrijf, hun naam, zooveel het ging, te sparen. En ook hunnerzijds, het zij met erkentelijkheid uitgesproken, ontbrak het niet aan een vriendelijk woord.

Maar juist daarom deed het mij dan ook leed, ditmaal, eerst anoniem, en nu met name, door U, niet gecritiseerd, maar geëxponeerd te worden op eene wijze, die U van een rectorale oratie zeggen deed: Zoo ik den onzin begrijp.

Als mijn leermeester in de exegese bondt Gij het ons weleer zoo vaak op het hart hoeveel de keuze van een enkel woord er vaak toe doet en hoezeer de mens auctoris zich vaak in een enkel kenmerkend woord verraadt. Vooral in een schrijven van Uw hand moest ik dus wel tot het droeve resultaat komen, dat bij het lezen van mijne rectorale oratie zelfs de meest gewone mate van achting voor mij niet in Uw hart is geweest.

Sluiten