Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

61

jaartal 1882

Over de quaestie zelve mag ik natuurlijk in dit woord niet uitweiden. Later hoop ik gelegenheid te vinden mijn gevoelen te adstrueeren, wat (Gij zult u herinneren, dat het er bij stond) in mijn oratie niet was geschied. Slechts veroorloof ik mij de korte opmerking, dat wel terdege de oudheid der Codices, der Vertalingen of der Patristische lezingen in de thans gangbare denkbeelden over tekstcritiek te weinig rekent met het feit, dat een lezing van veel later dagteekening desniettemin van nóg ouder oorsprong kan zijn. Vooral de prachtige Codicaalgenealogie van Westcott en Hort bevestigde mij in die overtuiging.

Doch, hoe dit zij, het was mij in dit schrijven enkel te doen, om U mijn leedwezen over uw courant-artikel te betuigen, en onder dankzegging voor de toezending van Uw opstel, U de verzekering der hoogachting te bieden van

Uw dw. vroegeren leerling Kuyper

Aan den Hoog Geleerden Heer Den Heer Dr J. J. Prins, Hoogleeraar, Leiden.

P.S. Daar Uw opstel thans onder Uw naam bekend wierd, zult Gij het mij wel niet euvel duiden, dat ik ook aan dit schrijven, publiciteit geef.

Op bovenstaand schrijven antwoordde Prof. Prins nog weer, dat hij de geïncrimineerde woorden: „zoo ik den onzin begrijp", niet op de geheele oratie, maar slechts op één zinsnede daarin had toegepast

72. Aan Beets. Opgenomen in „De Heraut" van 29 Januari 1882.

In het jaar 1874 heeft Beets het volgende leekedichtje geschreven:

AAN DEZEN EN GENEN Gij zijt wel mannen van mijn richting Maar zijt geen mannen naar mijn hart; Uw werk is niet tot vredestichting, En zij het strijden óók verplichting, Gij doet veel meer, gij tergt en sart Gij zijt wel mannen van mijn richting, Maar zijt geen mannen naar mijn hart

Sluiten