Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAARTAL 1883

92

eene leer hadden, die leer tegenspreken: laat hem b.v. uit art. 36 onzer Belijdenis de woorden: „uit te roeien alle afgoderij" niet in alles op dezelfde wijze als de Vaderen aannemen; hij heeft der geheele Belijdenis een stoot toegebracht, daar zij één samenhangend geheel is als de toren van Straatsburg, aan wien een slag, tegen een der wanden gegeven, tot in den top voorttrilt.... Wie het zwaard der Overheid uit de Belijdenis wegneemt, breekt van een schoon antiek kasteel een stuk borstwering weg, en maakt of een gevaarlijke bres, of als hij iets anders in de plaats metselt, een invoegsel, dat leelijk staat en de harmonie des geheels stoort."

Toen ook de jongere Kohlbrtiggianen voor het onveranderd behoud van art. 36 bleven pleiten, achtte Dr Kuyper het hoog tijd om de kwestie eens peremptoir in het midden der gemeente neer te leggen, en te vragen, zie De Heraut van 28 Oct. 1883:

Gij, kinderen Gods tn den lande, zoudt ge waarlijk willen, dat onze Koning op het schavot b.v. alle godloochenaars en alle Modernen en Groningers om hals liet brengen, of zoudt ge met ons van zoo bloedig bedrijf gruwen ?

Hierop antwoordde toen S. van Velzen, leeraar der Theol. School te Kampen, met een Open brief aan Professor Dr A. Kuyper inzake het ambt der Overheid, 1883. Hij verklaarde de overtredingen der eerste tafel van Gods wet niet minder strafbaar voor de Overheid te willen noemen dan die tegen de tweede tafel gepleegd worden, maar hij voegde er de opmerking aan toe, dat de Overheid steeds met verstand moest handelen. Dr Kuyper diende hem van repliek in De Heraut, nrs309—314, en gaf voorts in de nrs 315—332 een artikelenreeks over de vraag: Machtigt de Heilige Schrift onze Overheid om strafrechtelijk op te treden in zaken des geloofs? Vervolgens verscheen: Verijdeld of Verblind? Dr Kuyper's poging om Art. 36 onzer Belijdenis te ontzenuwen, in 't licht gesteld door Ds P. G. Datema. En een tweede brochure van S. van Velzen, getiteld: Verdediging en Toelichting van een zinsnede uit Art. 36 der Nederlandsche Geloofsbelijdenis. Vooraf gaat een antwoord aan Professor A. Kuyper. Daarop antwoordde de redacteur van De Heraut in de nrs 330—340.

Intusschen schreef de Hoogleeraar M. A. Gooszen in Geloof en Vrijheid 1884, blz. 111 en 112, met verwijzing naar Voetius'

Sluiten