Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

121

JAARTAL 1885

daar had verzameld. Honderden moesten teleurgesteld buiten blijven. Lang vóór den aanvang toch was er in het kerkgebouw zelfs geen staanplaats meer onbezet In alle hoeken en doorgangen, en tot zelfs bij het orgel had men zich opeengehoopt. Het kostte Dr Kuyper dan ook moeite om 8 uur den kansel te bereiken. Ongeveer het dubbele van het aantal hoorders, dat men in de Fransche Kerk rekent te kunnen samenbrengen, was aanwezig. En het moet een indrukwekkend schouwspel zijn geweest, zooveel «verjaagden van eigen erf' te zien saamstroomen binnen de gastvrije deuren der Kerk van de nakomelingen der Hugenoten.

Doch hoe vol ook het gebouw was, en hoe hoog zomerhitte en gaslicht de temperatuur ook deden stijgen, onder ademlooze stilte werd de inleidende Rede aangehoord. De principiëele gedachte, aan Daniël 2 :43 ontleend, dat, gelijk ijzer met leem zich niet vermengt, alzoo ook wat onder menschen andersoortig is, In casu geloof en ongeloof, niet duurzaam kan hechten, werd door den spreker uitgewerkt met een beroep op Qods Woord, de historie, en de consciëntie.

Vooraf verhaalde hij een droeve episode uit de geschiedenis der Haagsche Kerk in het jaar 1617, toen aan de Qereformeerden onder Maurits geweigerd werd om de Kloosterkerk te mogen gebruiken, opdat ze daar bidden zouden. De Qereformeerden, zoo oordeelde men toen, brachten de kerkelijke gemeenschap in gevaar. Dies schold men ze „scheurmakers", „schismatycken", „Rijswyckloopers", en hun samenkomst noemde men laatdunkend, „de scheur kerk", waarvan Groen van Prinsterer, toen Prins Maurits meê opging, schrijft: „Zoo wierd de Scheurkttk. flr/nsenkerk 1"

Tot dusver, M. H., gaat de historische herinnering. En zal ik nu, na deze episode uit 1617, u de episode geven uit diezelfde Haagsche kerkelijke wereld in 1885? Maar immers, dit zou op hetzelfde verbaal nog eens neerkomen. En daarom liever dan u door deze „overtolligheid in het onverkwikkelijke" te vermoeien, constateer ik kortaf, dat èn toen èn nu door den Haagschen kerkeraad, de gelegenheid om te bidden, voor zooveel aan hem hing aan de Gereformeerden belet is, en dat wel uit vreeze voor scheuring, als protest tegen den onderstelden revolutiegeest, en alzoo om te verhinderen wat in het oog der Irenischen was en is een ongoddelijk werk.

Hier tegenover vinde een woord van dank zijne plaats aan de

Sluiten