Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAARTAL 1886

166

kan het zijn, dat een kerkelijke rechtbank onze schuld aan zulk een overtreding en ontrouw bewijst, dat haar vonnis ons neer■ slaat in de consciëntie en verschrikt uit de bediening doet wegvluchten. Maar evenzeer is het derde geval denkbaar, dat namelijk juist een poging om aan de ontrouw in onze ambtsbediening een einde te maken, den toorn der kerkelijke rechtbanken opwekt en haar onze ontzetting doet aangrijpen als middel, om aan den Koning der Kerk de mogelijkheid te ontnemen, dat Hij het door Hem ingestelde ambt trouw late bedienen. En in zulk een geval nu kan uitteraard het ambt niet bezwijken voor menschelijke vernietiging, maar staat het, wat ook de menschen er aan mogen wrikken, onwrikbaar door den wille Gods.

§ 7. Voor ons, in onze moeilijkheden, komt het er dus slechts op aan, dat wij, een iegelijk voor ons zeiven, onderzoeken, of wij, in vergelijking met onze ambtsbroeders in andere steden en dorpen, op zulk een verregaande wijze de trouw aan onzen Koning verzaakt hebben, dat op ons, tn onderscheiding van deze anderen, bet ambtelijk doodvonnis in naam van onzen Koning behoorde te worden toegepast. Het komt er voor ons op aan, te weten, of de overtreding en het misdrijf, dat men als beweegreden tot ontzetting tegen ons aanvoert, van zulk een aard is, dat onze ontrouw aan onzen Koning hierdoor met zwarte schaduwe komt af te steken bij de trouw, waarmee onze ambtsbroederen Hem dienden. Alles hangt er voor ons aan, om het tot geestelijke doorzichtigheid te brengen, of de Synodale rechtbank, die allerlei overtreding en verloochening en ontrouw als één breeden stroom van zonde ongehinderd in de bedding onzer Kerken liet voortvloeien, in öns bij uitzondering nu zulk een gruwelijk stuk van ontrouw in onze ambtsbediening ontdekt heeft, dat, waar alle anderen in eere bleven, wij, als verregaande trouweloozen, ijlings moesten worden ontzet.

En zoo nu opgevat, hoe zou er dan voor ons gezamenlijk öf voor één van ons ook maar de minste twijfel kunnen rijzen, of de handeling, die men ons als misdrijf aanrekent, was, bij al onze gebrekkigheid, juist een zwakke poging, om aan onzen Koning niet ontrouw te worden, en kan dat dus nooit oorzaak zijn, dat Koning Jezus zelf ons uit ons ambt zou hebben ontzet.

Te midden van een schrikkelijke verwoesting der Kerk van Amsterdam in haar kerkeraad optredend, hebben we niet geweten waar aan te vangen, om in deze uitgebreide kerk, en gebonden aan haar log raderwerk, dezen Augius-stal van verloochening in Belijdenis en wandel te reinigen. Vandaar onze langdurige schuldige tekortkoming en het zondige dulden van zooveel als toch

Sluiten