Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

179

JAARTAL 1886

Voorts verdient opmerking, dat hij hier, in zijn doopsbeschouwing nog op Appelius drijvende, als regel voor de kerk stelde: „Doopen al wat in het Doophuis inkomt!" Echter hebben we reeds onder No 83, bij een bespreking van „De Leer der Verbonden", gezien, dat Dr Kuyper later ten opzichte van den doop, van standpunt veranderd is.

Van dit gewijzigde standpunt gaf hij eens in De Bazuin rekenschap door het volgende ingezonden stuk:

Mijnheer de Redacteur l Verplicht mij door dit korte schrijven in uw orgaan te willen opnemen.

Volkomen juist werd in uw vorig nummer door een geacht inzender de opmerking gemaakt, dat ik zelf in het derde deel van „Uit het Woord", Tweede serie, pag. 70, een stelregel als geldende steunde, dien ik nu onlangs in De Heraut bestreed; den stelregel namelijk, dat de kerk „alles doopt wat in het Doophuis inkomt," mits er goede getuigen zijn die voor de opvoeding instaan.

Dit is zoo. Mijne studiën over den H. Doop, die mij tot de Belijdenis der vaderen terugbrachten, dagteekenen van later tijd. Wat ik destijds schreef, verscheen in De Heraut van 1882, nu dertien jaren geleden, en mijne geschiedkundige nasporingen over den H. Doop ondernam ik eerst in 1890, dus acht jaren later. Toentertijd waande ik mij te kunnen redden met de theorie van Appelius.

Wel richtte zich destijds mijn schrijven in hoofdzaak tegen de meening, die ik ook nu nog bestrijd, alsof de predikant de geestelijke gesteldheid van de ouders als maatstaf mocht aanleggen, een gevoelen waarop ik, in verband met den strijd tegen Ds. de Herder in de Classis van Schieland, eerlang terugkom. Maar dat neemt niet weg, dat ik er, ter adstructie toen toch bijvoegde, wat ik nu niet meer zoo zou schrijven, en eerlang bij een tweeden druk, die komende is, dan ook zal wijzigen.

Vergete men niet, dat ik uit de moderne eerst in de Ethische kringen ben overgeleid, en zoo eerst op tamelijk gevorderden leeftijd in de Gereformeerde kringen ben gekomen en dat ik toen, zonder leermeester te midden van een zcr druk en veelbewogen leven, mijn eigen weg heb moeten vinden, om de schriften der Belijdenis onzer vaderen allengs te leeren verstaan.

Daarom smart het mij dan van achteren wel, als ik bespeur vroeger iets geschreven te hebben, dat onjuist was; maar ik durf zeggen, dat ik gewerkt heb wat ik kon en het was mij niet mogelijk alle onderwerpen gelijktijdig te onderzoeken.

Sluiten