Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAARTAL 1887

208

Er heeft zoodoende misleiding plaats. Niet in den zin van opzettelijken toeleg om op een dwaalspoor te brengen. Maar eerst zelfmisleiding, en dientengevolge misleiding van anderen.

Men verkeert zelf en brengt de gemeente in den waan, dat de Christus van wien men gewaagt, nog altoos de oude Christus is, voor wien Gods kinderen nu achttien eeuwen knielden, en weet niet en beseft niet, dat men, door een valsche Christusgestalte op den voorgrond te schuiven, den eigenlijken Christus aanrandt in zijn eere en van bet terrein der kerk verdringt.

De ongelukkige, gevaarlijke en heillooze gewoonte, om nooit scherpe bepalingen te maken, nooit scherp belijnd te omschrijven, wat men met zijn woorden bedoelt, verlokt daar onwillekeurig toe. Men heeft dan ideeën, o, zoo schoone, bezielende ideeën, maar doordien men zich nooit dwingt, om nu eens nauwkeurig en precies zulk een idee eerst tot op den bodem door te denken, en dan met het bewustzijn uit dien bodem op te klimmen naar de helderheid en klaarheid van den waterspiegel in de oppervlakte, went men zich aan, om soms in één zelfde vel druks een zelfde woord tot tien- en twaalfmaal in een geheel andere beteekenis te bezigen, en omgekeerd een zelfde zaak tien-, twaalfmaal om te zetten In anderen vorm.

Zoo verdwijnen de vaste lijnen; alles wordt zwevend en vloeit inéén, en terwijl de godgeleerde door deze slordigheid van taal en deze traagheid van denkinspanning reeds afbelt naar de gevaarlijke diepte van het onbewuste en zwevende, loert uit die diepte hem het heilloos pantheïsme tegen, dat juist zulk een fusie en dooreenwarring en chaotische vermenging der dingen wil.

Maar wel verre van tegen deze pantheïstische verleiding op hun hoede te zijn, hebben mannen als Schleiermacher en Schweitzer, als Lange en Von der Goltz, Martensen en Rothe (om nu alleen buitenlandsche godgeleerden te noemen) veeleer er zich op toegelegd, om de denkbeelden van tijdelijk en eeuwig, van almacht en beperktheid, van bijzonder en algemeen, van Ideaal en realiteit, en zoo ook van goddelijk en menschelijk in elkaar te laten vloeien.

En dit konden ze op hun standpunt nu eenmaal niet anders.

Vanouds liet de Luthersche kerk te kwader ure het Eutychianisme in haar leer van den Christus insluipen en dreef dit door de eommunlcatto idtomatum of „mededeeling aan de ééne natuur van de eigenschappen die aan de andere natuur eigen waren" op de spits.

Nu bedoelden de oude Luthersche godgeleerden dit intusschen nog altijd goed. Bij hen bleef de Christus nog altoos de tweede persoon in de Drieëenheid. Maar toen nu, na den val van het rationalisme, Fichtes wijsgeerige school bet idealisme en die van Schelling de identiteit in de denkende geesten instortte, lag het

Sluiten