Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAARTAL 1887

212

mogen, ja moeten ze zien. Maar wee u, zoo ge nu achter uw God om, nog iets openrukt wat Hij voor u gesloten liet, nog gluren woudt In wat Hij voor u verborg, ijlings zou Hij u door zijn dienstknecht uit zijn palels wegjagen, omdat ge Hem in zijn majesteit hadt aangerand en zijn recht als Heer in zijn paleis niet had geëerbiedigd.

Of wilt ge een ander voorbeeld, meer uit het leven uwer eigen handelsstad genomen, denk u dan een kantoor, waar een nieuwe klerk wordt in dienst gesteld. Niet waar, dan zal de patroon van het kantoor aan dien klerk zóóveel van zijn boeken toonen, als hem goeddunkt, en hem zóóveel van zijn handelszaken mededeelen, als voor hem noodig is om zijn werk te doen. Ook op dat kantoor zijn er voor dien klerk geopenbaarde dingen. Maar naast die geopenbaarde, o nog zooveel méér verborgen dingen. En zoo nu de patroon, straks zijn kantoor weer binnentredend, dien klerk bezig vond met het nasnuffelen van zijn portefeuille of met het gluren in zijn geheime brieven, bij zou hem op staanden voet van zich jagen. „Neen, jonge man, wat ik u geopenbaard had, was voor u, maar voor mij waren de verborgen dingen, gij zijt mijn dienst onwaardigi"

En niet ander? immers is het met ons tegenover den Heere onzen God. Hij nam ons in zijn dienst en openbaarde ons zooveel van zijn heilige zake als ons noodig was, om in zijn dienst te te kunnen arbeiden. Maar indien wij nu, door zooveel vertrouwen verlokt, ons vermeten in schandelijke vrijpostigheid ook te willen vorschen naar wat God ons niet geopenbaard heeft, dan komt de toorn Gods onze ziel bezoeken, en heet het van zijn straffende lippen tot onze consciëntie: „Voor u de geopenbaarde dingen om die te doen, maar de verborgene dingen zult ge voor Mij, uwen God, laten 1"

Achtereenvolgens wordt nu nagegaan wat deze gestrenge waarschuwing ons te zeggen heeft ten opzichte van de Kennisse, van den Wil en van den Raad des Heeren onzes Gods.

Na alzoo den ernst van het tekstwoord ontvouwd te hebben met betrekking tot de Kennisse, en eer hij overgaat dezelfde tegenstelling ook voor wat aangaat den Wil Gods en zijn heiligen Raad te onderzoeken, richt de prediker zich tot de gemeente, als weer door Godes gunst Gereformeerde Kerke:

Ge weet het, het is onze roem bij God, dat er ten leste voor ons verbreking is gekomen van het juk van menschelijke instellingen, waaronder we bekneld lagen.

Sluiten