Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

249

JAARTAL 1889

de oogen sluitend, om de kracht te verscherpen van hun denkvermogen, dat door de onverpoosde aaneenschakeling van feiten, beelden en tegenstellingen op een zoo zware proef wordt gesteld. Aan bewondering paart zich zeker bij die Deputaten, die reeds op het staatkundig tooneel verschenen zijn, of de hoop hebben daar eerlang te verschijnen, een eerbiedige huivering. Dr Kuyper vervult voor hen de taak der drie schikgodinnen tegelijk. Zijne band weeft hun politieken levensdraad, en houdt dien met krachtige vingers vast; maar ook de schaar die dien draad elk oogenblik kan afknippen, is onder zijne berusting.

Op deze tiende Deputatenvergadering had hij echter dit gevreesde werktuig ter zijde gelegd, hij dreigde er maar een enkele maal mede uit de verte. Blijkbaar was Dr Kuyper ditmaal over zijne Deputaten tevreden: „met dank aan der vaderen God" roemde hij „dat niet licht in wat land ook een staatkundige partij een kring van mannen als hier zal saambrengen, mannen die zoo onverdroten voor de publieke zaak des vaderlands geijverd hebben en zoo bijna nooit iets voor zich zelf van die publieke zaak hebben gevergd." Mij dunkt bij dat woord zullen de harten der Deputaten, in stille zelfvoldoening, sneller geklopt hebben, en zoo al bi] een enkele de gedachte binnen sloop aan de tonnen gouds, ten behoeve der scholen uitsluitend voor hunne kinderen ingericht, voor de publieke schatkist te vergen; dan zal de vrees, of deze afwijking der gedragslijn ook het recht op een toekomstige lofspraak van gelijken aard zou doen verbeuren, wel spoedig zijn vervlogen, toen de geruststellende verzekering van de lippen des redenaars daalde, dat de kracht van zijne partij „niet schuilt in het stroeve mechanisme der theorie, maar in de leidende gedachte die inwoont in het organische leven" en dat daardoor „de soepelheid en plooibaarheid van haar actueel optreden" wordt gerechtvaardigd.

Intusscben, het is moeilijk te raden wat er in bet hoofd van een Deputaat omgaat, wanneer hij bloot staat aan den invloed van een zoo overstelpenden woordenstroom, als die waarmede Dr Kuyper hem verkwikt. Of alles, wat hem in de ooren klonk, dadelijk een zoo vaste gestalte voor zijnen geest verkreeg, dat hij bij zijnen terugkeer in de stad of het dorp die hem deputeerden, daarvan een volledig verslag, en een heldere voorstelling zal hebben kunnen geven, is natuurlijk niet te gissen. Het is mij evenmin bekend, of de hiërarchische verhouding tusschen voorzitter en Deputaten bet gedoogt, dat door de laatsten, na afloop der redevoering nog ophelderingen en inlichtingen omtrent het gehoorde aan den redenaar kunnen gevraagd worden. Is dit laatste echter niet het geval geweest, dan vrees ik wel eenigszins dat

Sluiten