Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAARTAL 1889

252

als „de kleyne luyden" van Prins Willem waren; eenvoudige burgers uit onze steden en van het platteland; ploegers meer dan penvoerders; met acte noch diploma ooit gesierd. En al vat ik nu uitnemend, hoe men onder de aanzienlijke geslachten, waaruit Gij zelf sproot, en in de kringen der geleerdheid, waaronder Gij een naam met eere verwierft, zich soms vroolijk maakt met deze „kinderen des volks," en het onhebbelijk beeld, dat in zijn spottenden geest oprees, tamelijk juist geboetseerd vindt in de ezelskoppen op menschenskeletten, waarin de teekenaar van Uylenspiegel zijn vindingrijkheid tentoonstelt, — toch wil ik u als denkend en nadenkend publicist gevraagd hebben, of het vroed, of het profijtelijk is, dat Gij met uw machtig schild, zij het ook slechts zijdelings, zulk een laatdunkendheid dekt.

Gij weet toch zeer wel, dat allerminst uw Antirevolutionaire medeburgers de beteekenis der hoogere standen miskennen. Immers het feit is onloochenbaar, dat ze onveranderlijk aan een man van hoogen naam, mits zijn geest niet tegen den Geest van Christus inga, bij de stembus voorkeur geven. En overmits nu de aanwezigen en geleerden toch niet al het volk zijn, is dit juist de glorie onzer Deputatenvergadering, dat zij ons het nationale leven in at zijn schakeeringen vertoont, en wat hoog en wat laag leeft, in broederlijken zoen weet saam te brengen.

Vooral speet mij uw ongunstig vermoeden tegen den eerlijken zin der opgenomenen.

Of is dat te scherp uw bedoeling weergegeven?

Maar immers Gij vondt goed aldus tegen hen te insinueeren: (dan volgt wat we reeds boven citeerden over de tonnen gouds, die de Antirevolutionairen voor hun christelijke scholen uit de schatkist vergen.)

Deze tirade nu, zou ik zeggen, bad aan uw pen niet mogen ontsnappen. Gij weet toch, dat de geestdrift der opgekomen Deputaten in vroeger jaren, toen er van subsidien nog met geen woord sprake viel, even warm was. Gij wist dat de acht ton gouds, die thans geboden wierd, aan het vrije onderwijs de verplichting oplegt om een kleine duizend onderwijzers aan te stellen; iets wat een vermeerdering van vijf tonnen gouds in de uitgaven eischt; zoodat feitelijk de te maken winst, van acht tot beneden de drie ton daalt. Gij wist, dat over de 150.000 kinderen op onze vrije scholen verdeeld, deze drie ton slechts f 2 — per kind levert, d.i. even 8 pet. op de kosten. En, wat in nog erger zin doodelijk voor uw ironie blijkt, gij wist beter dan iemand, hoe de Liberale Unie, meest uit gegoede personen saamgesteld, optreedt voor een partij, die nu reeds twintig en straks dertig jaar voor een inzet niet van drie ton, maar van driemaal drie millloen de politieke

Sluiten