Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

259

JAARTAL 1889

J. Hoedemaker in De Gereformeerde Kerk van 17 October 1889:

Dr Kuyper heeft in zijn jongste repliek aan Het Vaderland inzake Mr W. H. de Beauforts verweerschrift, onderscheidene beweringen van Mr De Beaufort meesterlijk weerlegd. Zooals altijd, zal men zijne onlangs verschenen brochure met genot lezen, en den tact bewonderen, waarmede deze ridder, die de luipaard in zijn wapen voert, van alles partij weet te trekken, om den tegenstander het zadel te lichten.

Maar, dit betreft de bijzaken.

Van de gewichtige bezwaren tegen zijn standpunt ingebracht, heeft hij zich met den Franschen slag afgemaakt.

Dit geldt, in het voorbijgaan gezegd, van de aanhalingen uit Groen van Prinsterer's werken waar deze de verwachting uitspreekt, dat de Roomschen met de anti-revolutionairen zullen samenwerken, tegen „het kerkelijk en politiek radicalisme," of lucht geeft aan zijne teleurstelling, dat deze verwachting verijdeld is.

Zij bewijzen o.i. niet wat Dr Kuyper er uit afleidt, omdat uit die aanhalingen niet blijkt dat de hulp, die Groen verwachtte» Iets gemeen heeft met den aard, den grondslag en het doel der samenwerking, waarvan hier spraak is.

Dit onderwerp ligt, echter, buiten het eigenlijk Theologisch en Kerkelijk terrein.

Maar het beroep van Dr Kuyper op de Synopsis der vier Professoren, waaruit hij zoekt te bewijzen, dat men zich volgens het Gereformeerde staatsrecht, tevreden mag en moet stellen, met „de werking door het Woord Gods op de consciëntie der Overheids-personen," uitgeoefend, (Ons program 105), omdat de Gereformeerde vaderen beleden, „dat de Overheid niet mag afgaan op anderer inzicht of oordeel, maar alle zaak „moet beleiden naar eigen helder inzicht en persoonlijke overtuiging" gaat even mank. Wat het program leert, (n.1. de eerste stelling), en wat de vaderen uitspraken, zijn twee zaken, die niets met elkander gemeen hebben, zooals wij in het volgend nommer hopen aan te toonen.

Wij wenschen ditmaal alleen te wijzen op de vermakelijke redeneering op bladz. 44 en 45, waardoor de Schrijver zich verdedigt tegen de beschuldiging, dat zijne staatkundige theorie de eenheid van onzen Staat schendt

Het is der pijne waard, haar even voor het front te brengen.

Er zijn in zoo'n Staat, zegt Dr Kuyper, allerlei soort van menschen — mannen, vrouwen en kinderen, rijken en armen, geestelijken en leeken, boeren en handelaars enz.

Eene regeering moet en kan rekening houden met deze groote verscheidenheid van belangen en toestanden.

Sluiten