Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

279

JAARTAL 1890

hooger standpunt van bloei en volksontwikkeling kan opheffen. En 3e. dat Nederland een einde malce aan alle verkeerde practijken, die van Gouvernementswege in stand wierden gehouden en het volk demoraliseeren. Denk b.v. aan het opiumgebruik.

Vervolgens eischt de Antirevolutionaire partij, dat ons Gouvernement in Indië zich le. van alle eerebetoon aan het Mohammedanisme zal onthouden; 2e. den buitenlandschen invloed van de school van Cairo en de curie te Mekka niet zal aanmoedigen, maar zal belemmeren; 3e. de conscientievrijheid ook van den Javaan op het stipst zal eerbiedigen, en 4e. de propaganda van de Christelijke religie, mits ze geen ander wapen dan het vrije woord bezige, als een zegen voor Indië zal begroeten; zonder ze zelf te drijven, haar geen moeilijkheid in den weg zal leggen; en maatregelen zal nemen, om de positie der gedoopte inlanders een eerbare te doen zijn.

En de derde eisch der Antirevolutionaire partij, op dit punt van koloniaal beleid, is dat het Gouvernement in Indië zooveel doenlijk door een staf van ambtenaren gerugsteund moge worden, die tegenover den Islam de eere der Christelijke religie ophouden; en dat de regeering aan de kerk in Indië de vrijheid hergeve die ze behoeft, om van een hinder voor de propaganda van het Christendom, wat ze nu is, het centrum van actie te worden, vanwaar de kerstening van Java en de omliggende eilanden uitga.

Voor deze drie punten nu is Mr Keuchenius opgekomen. Volstrekt niet met die kracht waarop wij gehoopt hadden, en evenmin altoos in een vorm die ons toesprak; maar hij kwam er toch voor op. Hij drong op Christelijke plichtsbetrachting tegenover den inlander. Hij keerde de verhouding tegenover Islam en Christelijke missie om. En hij deed den eersten stap, om de zaak der Indische kerk aan te vatten. En hij deed dit, niet om ons te believen, maar uit innige overtuiging dat het zoo moest.

Dit nu stelt het ons ten plicht in verzet te komen tegen een votum als dat der Eerste Kamer, dat juist uit reactie tegen dit optreden van Keuchenius geboren was.

En een Kabinet, of Kamerclub, of partij, die aan zulk een punt der historie toegekomen, het inzicht of den moed mist, om over alle tekortkomingen en zonderlingheid heen te zien, en de quaestie in haar hartader aan te grijpen, zou daarmee niet den getroffen minister doen bloeden, maar de bron afsnijden van eigen levenskracht en eigen toekomst

Sluiten