Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

283

JAARTAL 1890

dan toch in werking beperkt moet, wat de rust zou kunnen bedreigen. Uit dien hoofde ziet ze er geen kwaad in, dat de Regeering in Indië de Mohamedaansche religie naar de oogen ziet, en de Christelijke zending aan zekere banden legt.

Ons standpunt eischt daarentegen, dat de Overheid in de Mohamedaansche en Heidensche religie valschen godsdienst zie, die ze duldt en gaan laat, maar waaraan ze geen eere betoont noch steun biedt; terwijl zij omgekeerd aan de Christelijke missie vrijheid van actie moet waarborgen.

3. De Liberale partij acht, dat de zedelijke roeping van de Regeering tegenover Indië gekweten moet door het verspreiden van neutraal onderwijs, ten einde door kleurlooze beschaving de bevolking tot hooger standpunt op te heffen.

Wij daarentegen oordeelen, dat kleurloos neutraal onderwijs deze bevolking niet tot hooger standpunt kan opheffen, en dat daarom de Regeering óf zich van het onderwijs der inlanders moet terugtrekken, óf dit steunen moet door subsidie aan particuliere scholen.

En 4°. De Liberale partij oordeelt, dat een Staatskerk met moderne predikanten de waardigste representatie is van de Christelijke Kerk in onze Indien, waartegenover wij oordeelen, dat de Regeering de Staatskerk moet loslaten, en de Christelijke kerken zich vrij in den Archipel moet laten organiseeren.

Dat ls bet standpunt steeds door Elout, Groen van Prinsterer en de mannen der oude garde ingenomen; het standpunt in 1874 en 1875 door Dr Kuyper in de Kamer bepleit; het standpunt, dat de Antirevolutionaire pers verdedigt; en het standpunt, dat, nu onlangs door Keuchenius als minister ingenomen, naar we vertrouwen durven, ook na zijn uittreden door heel het Kabinet niet zal verloochend worden.

Eindelijk schreef Dr Kuyper in De Standaard van 21 April nog een hoofdartikel over Kruis en Halve Maan, waarvan het slot aldus luidde:

Van een propaganda der Christelijke religie door de regeering is dan ook nimmer sprake geweest. Dat eischte nooit één enkel Antirevolutionair. Zulk een propaganda wenscbten we noch zijdelings, noch rechtstreeks, door geld noch door geweld.

En evenmin is onzerzijds ooit de eisch gesteld, dat onze Regeering in Indië het Mohamedanisme dwarsboomen of „massregeln" zou. Al bestond heel de ambtenaarswereld in Indië uit Antirevolutionairen, dan nog zou daarvan nooit de minste sprake zijn.

Sluiten