Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

285

JAARTAL 1890

vraagstukken behandelde, in afzonderlijken druk ter perse te leggen. En overmits nu juist mijn advies over de koloniale aangelegenheden aanleiding tot deze uitgave is, plaats ik de koloniale adviezen niet slechts voorop, maar voeg er als appendix bij de breedere toelichting, die in 1878 van bet 19e artikel van „Ons Program", na ernstige raadpleging van koloniale autoriteiten, door mij gegeven wierd.

De inhoud van Eenige Kameradviezen bestaat uit zes hoofdstukken: I. Koloniale quaestie; II. Sociale quaestie; III. Electorale quaestie; IV. Onderwijsquaestie; V. Kerkelijke quaestie; VI. Partijverhouding.

Onder Koloniale quaestie geeft Dr Kuyper omtrent Nederlands zedelijke roeping tegenover de Indische Maatschappij op de vraag: Wat moet de Staat zelf doen ? ten antwoord: Ook in Indië zijn historisch Europeesch karakter niet verloochenen. En op de vraag: Wat kan de Staat door anderen doen? antwoordt Dr Kuyper: De inwerking aanmoedigen van de ChristelijkEuropeesche maatschappij op de maatschappij in Indië.

Wat de eerste vraag betreft, volgt uit het gegeven antwoord, dat de Regeering van een Christelijk-Europeeschen Staat zijn Christelijk-Europeesche signatuur ook tegenover den Islam niet verloochene, maar in zijn staatsrecht en wetgeving, altijd en onverholen de beginselen belijde, die geboden worden door de hoogte van zedelijke ontwikkeling, waarop wij in Nederland staan.

En wat de tweede vraag betreft: Waar de Regeering zelve neutraal moet blijven, geen directe propaganda mag drijven, en niet mag optreden met het doei om zeker Christendom, welk dan ook, in confessioneelen zin te prediken, ziet Dr Kuyper slechts één weg: bescherming en aanmoediging van het particulier initiatief der Europeesche maatscbappij, voorzoover dit niet met hebzuchtige, maar uitsluitend met zedelijke bedoelingen zich naar onzen Archipel wendt Alleen zóó kan van lieverlee in het hart der Indische maatschappij een actief element optreden, dat haar van binnen uit hervormt

Onder Sociale quaestie bespreekt Dr Kuyper de noodzakelijkheid om tot een wetgeving op den arbeid te komen. Dit denkbeeld werd echter met hoongelach, zelfs van de ministerieele tafel begroet Had Dr Kuyper het den minister aangeboden als een stekje, waarvoor hij een plaatsje vroeg in den justitioneelen tuin, met een goedkoope woordspeling werd het afgewezen als

Sluiten