Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

293

JAARTAL 1890

aan de stedelijke Universiteit te doen vervallen. De strijd hierover woedt nog voort, en het is op verre na nog niet te zeggen, tot welk besluit de Regeering in deze materie komen zal. Dat vroeg of laat de theologische faculteit van onze publieke Universiteiten wegvalt, is een even zekere als goedgeefsche profetie; maar hoelang ze haar leven nog rekken zal, is zelfs van verre niet te gissen. Kwijnende zieken zijn soms taal.

Het was juist daarom goed en billijk, dat de quaestie, die door dezen strijd aan de orde is gesteld, van verschillend standpunt op onderscheidene wijze worde toegelicht. Die plicht rust op de mannen der Vrije Universiteit. Ook zij nemen tegenover deze quaestie een eigen standpunt in en gaan noch met de „groote Protestantsche partij", ditmaal door Mr, Levy aangevoerd, noch met de Radicalen mede.

Over dit standpunt nu leverde Prof. Kuyper vervolgens in het referaat zijn beschouwingen. Protesteerende tegen een uitdrukking van Prof. Tiele in een referaat over dezelfde zaak, deze n.1.: „Aan namen hecht ik niet veel", en een kort en krachtig pleidooi leverend voor waarheid in de taal, ging de hoogleeraar over tot het voeren van een principieel debat, en wel door den zin en de beteekenis vast te stellen van wat een faculteit zij, wat een theologische faculteit en wat de publieke Universiteit ten onzent.

Wat men historisch onder het woord faculteit verstaan moet, is niet twijfelachtig; het moet genomen in den zin van bevoegdheid om zeker vak van studie publiek te doceeren. Genomen naar haar historischen oorsprong zou men dus de faculteit kunnen omschrijven als een gilde van geleerde mannen, die bet recht bézaten om collegialiter, d.i. saam, eenzelfde vak van wetenschap te doceeren en daarin graden te verleenen. Dat in de faculteit alleen de leeraren van één bepaald vak van studie waren opgenomen, bad weer tengevolge, dat de leden der faculteit in solidaire gemeenschap doceerden, saam eenzelfde wetenschap onderwezen, en alzoo onderling voor elkanders onderwijs aansprakelijk waren. Eenheid van beginsel was van het verleden der facultas dus onafscheidelijk. De idéé der faculteit wordt echter vervalscht, als men haar, evenals de Universiteit, als instelling voor de beoefening der wetenschap voorstelt Een faculteit studeert niet en ontleent naar recht van bestaan in het minst niet aan de eischen der wetenschap, maar aan de eischen van het practische leven. Nog geldt en gold ook voortijds de formule: de faculteit als zoodanig studeert niet maar doceert en gradueert alleen.

Wat nu de theologische faculteit aangaat, hiervan staat vast, dat er nooit een faculteit van godsdienst-wetenschappen onder verstaan kan worden. Wil ze haar naam naar waarheid dragen,

Sluiten