Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

305

JAARTAL 1890

Dat zoo wat omzetten en wijzigen van den tekst kon de eerste de beste wel doen. En voor ende, en hunne voor hare, en zoo meer. Lezen kunnen en zijn spelling van buiten kennen, was hier voldoende.

Men wist nog niet, men zag niet in en begreep niet, dat hier kennis van het Hebreeuwsch en Grieksch, kennis van de toenmalige theologie, kennis van uitlegkundige onderscheidingen, kennis van de toenmalige en kennis van de tegenwoordige taal vereischt werd en dat eigenlijk alleen wie als theoloog goed in onze Gereformeerde theologie en als taalman in onze Nederlandsche taal thuis was, aan zulk 'n werk genoegzame leiding kon geven.

Daar nu Dr Kuyper aan de Vrije Universiteit èn over de Gereformeerde theologie èn over de Nederlandsche taal- en letterkunde èn over het Hebreeuwsch college geeft, ried men aan de Flakkeesche Drukkerij aan, even bij hem aan te kloppen.

Zoo deed men, doch kreeg ten antwoord, dat dit werk voor één man veel te veel was, en ook dat één man niet alles kon beslissen; dat hier hulp en raad van taalkundige specialiteiten noodig was.

De zaak was voor één man veel te omvangrijk, de te nemen beslissing vaak veel te moeilijk, bet inzicht van één man veel te ondiep. Op ééns mans naam kon en mocht zulk een zaak niet drijven. En zoo is eerst door de gereede medewerking van de H.H. Dr Bavinck, Dr Kuyper en Dr Rutgers de onderneming mogelijk geworden.

Jarenlang is er toen aan gearbeid, en de Flakkeesche Drukkerij, het moet tot haar eere gezegd, beeft, naarmate het belang en de beteekenis van deze uitgave haar duidelijk werd, zich op lofwaardige wijze ingespannen, om deze uitgave in elk opzicht in schoon gewaad het licht te doen zien.

Deugdelijk papier, heldere druk, kostelijke band. En voorts fraaie vignetten, antieke platen, vier keurige landkaarten door Dr Wolfjer naar de nieuwste ontdekkingen bewerkt, en een fraaie schets van Israelietische oudheden. Zelfs het geslachtsregister is niet vergeten.

Een werk op zich zelf was de leesbaarmaking van de kantteekeningen, opschriften van boeken en kapittelen enz., die dusver, het mag niet verzwegen, al te slordig op het bedenkelijke af, mishandeld waren.

Ook die kantteekeningen, meest in gedrongen stijl gezet, zijn nu alle in verstaanbaar Nederlandsch uit onzen tijd overgebracht Ze zijn van den kant naar het benedenste gedeelte van de bladzij geschoven. Ze zijn elk met een nieuwen regel gezet. En ze zijn gezet in een letter, die leder lezen kan.

Kuyper BlbL 20

Sluiten