Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

337

JAARTAL 1890

niet; de patiënt blijft bij zijn besluit en verklaart van dezen oogenblik af zijn band met het instituut als verbroken te beschouwen; dan blijft voor den kerkeraad, ook al laat bij hem voor de consciëntie nog niet los, en al blijft bij nog uitzien naar een latere gelegenheid, om hem weer terecht te brengen, toch voor het oogenblik niet anders over, dan hierin te berusten.

Dwangmiddelen staan aan den kerkeraad niet ten dienste, en zou bij toch niet mogen aanwenden. En als dus het bedoelde lid weigert iemand of iets van kerkeraadswege voortaan te zijnen huize te ontvangen; weigert aan eenige oproeping gehoor te geven; en weigert aan zijne kerkelijke verplichting te voldoen; dan mist de kerkeraad voortaan elk institutair recht, om hem ook daarna nog te behandelen, als iemand die krachtens zijn wilsverklaring van zijn instituut lid was.

Met opzet laten we de geestelijke zijde der zaak thans rusten, en bespreken ze enkel formeel. En dan is het o. i. zonneklaar, dat een kerkelijk instituut, dat geboren wordt uit vrijwillige toetreding, formeel geen nakoming van verplichtingen meer kan eischen van iemand, die zijn samenwerking met dit instituut opzegt.

Dat men zijdelings ook reeds door den heiligen Doop tot dit instituut behoort, doet ten deze niets af.

Dit toch is een stipulatie, die, nu weer formeel gesproken, door de leden van het instituut bij zijn oprichting gemaakt is, tw. dat, krachtens hun belijdenis, niet alleen zij zeiven in het volle genot zouden treden van de rechten die het instituut gaf, maar dat ook hun kinderen, na door den heiligen Doop verzegeld te zijn, als ten deele behoorende tot 't instituut zouden gerekend worden, en dat deze, na tot het heilig Avondmaal op persoonlijke belijdenis te zijn toegelaten, gelijke rechten zouden bezitten als zij.

Maar toch was altoos in deze stipulatie begrepen, dat het instituut de genieting van de volle kerkelijke voorrechten, d.i. de deelneming aan het heilig Avondmaal en het bekleeden van het ambt der geloovigen, slechts aan zulke kinderen zou geven, die, tot jaren van onderscheid gekomen, ook persoonlijk zouden belijden, en persoonlijk gelijke stipulatie aangaan.

Brengt nu de kerkeraad (gelijk bij Reformatie altoos het geval is zoodra die Reformatie ook de kerkregeering betreft) zekere verandering in den grondslag van het instituut te weeg, dan spreekt het vanzelf, dat de kerkeraad dit zijnerzijds nooit anders doen kan, dan als geldende voor allen en een Iegelijk, die leden van het instituut waren op het oogenblik, dat bij tot reformatie overging; en het is dit wat men bedoelt en terecht bedoelt, zoo men zegt, dat de kerkeraad van Amsterdam, Rotterdam, Utrecht en elders, het kerkelijk instituut niet konden reformeeren, dan

Kuyper Bibl. 22

Sluiten