Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAARTAL 1891

12

gezeten te hebben, dan dat het levende woord doordrong tot hun ziel. In een deel van Friesland, van Zuid-Holland, van Gelderland en op Walcheren was dit beter; maar in de overige deelen van ons land was het reeds destijds een toestand, om bij te schreien. Alleen daaruit verklaart het zich dan ook, dat reeds een halve eeuw na het doorbreken der Reformatie de ketterij van het Remonstrantisme hier te lande zoo welig wortel kon schieten. En wel heeft toen de strijd tegen de Remonstranten uitermate gunstig gewerkt, om juister denkbeelden omtrent de Gereformeerde waarheid en betere kennis van het Gereformeerde kerkrecht ingang te doen vinden, maar het kwaad voor onze kerken lag toen in den op de Dordtsche Synode behaalden triomf. Had men reeds destijds na de vaststelling der waarheid, het leunen op den Staat verleerd, en aan de Remonstranten volle vrijheid gegund, om zich op voet van gelijkheid naast de Gereformeerde kerken te organiseeren, zoo mag aangenomen, dat de historie onzer kerken een geheel ander verloop zou hebben gehad, en dat de overwinning, te Dordt behaald, in een Tijk geestelijk léven vrucht zou hebben gedragen voor de eere onzes Gods en de belijdenis van zijn waarheid.

Zoo ver was men toen echter nog niet. Het scheen toenmaals nog begeerlijk en geoorloofd, om aan het lidmaatschap der Gereformeerde kerken allerlei wereldsche voordeden te verbinden, en dit had van zelf ten gevolge, dat duizenden bij duizenden, die niets met een Catefcilstischen geest gemeen hadden, toch in de kerk bleven en prijs stelden op haar lidmaatschap. En wel beproefden toen de kerken door toepassing van den ban de Remonstranten uit haar midden te verwijderen, maar daartoe bleek de massa schijngeloovigen te groot; en ook duldden dit de Staten niet. Alle eer zou aan de Gereformeerde kerken gegund worden. Ze zouden de Staatskerk; ze zouden de Volkskerk zijn; de overheid zou ze van geld voorzien en steunen; maar dan moest de strenge tucht ook ophouden, en de kerkeraad veel door de vingers zien. Dit was de schotel linzenmoes, waarvoor de kerken destijds haar eerstgeboorterecht hebben verkocht, en die oorzaak werd, dat de winste van de Synode van Dordt op onberekenbare geestelijke schade uitliep. Dat hiervoor gevaar bestond zagen mannen als Voetius dan ook helder in, doch ze meenden, dat het nog mogelijk zou zijn, dit kwaad te bezweren, zoo men degelijke predikanten vormde, en het volk op de school en in de catechisatie degelijker onderwees. En van daar dan ook de poging om door zulk soort van vragenboekjes, als Poudroyen onder Voetius' toezicht uitgaf, de ontaarding der Volkskerk tegen te gaan. Men gevoelde dat het aan de noodige kennis haperde, maar vergat dat een inprenten van zekere stukken der waarheid in het geheugen nooit tot een betering van den toestand kon leiden, zoolang de geest in de gezinnen en in de harten twijfelziek en wereldsch bleef. Hun poging is dan ook niet geslaagd. Hun soort boekjens zijn in het begin der 18e eeuw spoedig in onbruik geraakt. Het groote lichaam der Volkskerk is innerlijk versteend. En toen nu een halve eeuw later de geest van het Rationalisme uit Duitschland en Engeland, en de

Sluiten