Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

29

JAARTAL 1891

ten onzent hun stem verhieven over den socialen nood onzes volks, nog voor en aleer het hedendaagsche socialisme aan het woord kwam. Maar ook het luid geroep der socialisten zeiven, die zich voor hun utopiën steeds op den Christus beroepen, stelt ons te dezen opzichte in mora.

Met eenige schoone citaten toonde spreker nu aan, hoe er tusschen het sociale vraagstuk en de christelijke religie een onloochenbaar verband bestaat. Schaamte bekruipt ons, dat die overtuiging tot dusver niet luider in ons sprak; ons niet eer tot daden prikkelde. Maar thans mag en kan ons oog zich dan ook niet langer afwenden van den Christus Consolator, die immers ook tot onze felbewogen eeuw in goddelijke ontferming roepen blijft: „Kom tot Mij gij, rijkste eeuw, die ooit aanbrak, maar die zoo doodelijk vermoeid en beladen zijt, en lk zal u ruste geven".

En van de erkenning van dit verband gaat dan ook het nu saamgeroepen congres uit.

De overtuiging echter, dat er zulk een verband bestaat, is niet genoeg. Spreker zou nu trachten te leveren een blootlegging van de vezelen, waardoor beide levensverschijnselen, eenerzijds de Christelijke Religie en anderzijds het Sociale vraagstuk, in elkander gestrengeld liggen.

Overal werkt de menschelijke kunst op de ons omringende natuur in. De paardenstoeterij legt zich toe op de veredeling der rassen; uit water wordt stoom bereid; de wilde bergstroom wordt in vaste bedding geleid, om zijn wateren dienstbaar te maken aan de scheepvaart en de besproeiing onzer velden.

De natuur wordt alzoo niet aan haar zelve overgelaten, en evenmin kunnen wij dat de menschelijke samenleving doen. Staatskunst, in hoogeren zin genomen, moet tusschen beide treden, om uit dit samenleven een gemeenschap te doen opkomen, en voorts dit maatschappelijk leven in zich zelf en in zijn samenhang met de stoffelijke wereld te verdeelen.

Bij de vervulling van deze taak nu heeft de Staatskunst slag op slag misgetast; en die reeks van misslagen heeft altijd tweeerlei vaste oorzaak gehad: de dwaling of de zonde. De eerste voorzoover men in onkunde verkeerde omtrent het wezen van den mensch, zijn sociale eigenschappen en de wetten, die de samenleving beheerschen; de tweede, waar hebzucht en heerschzucht leiding gaven.

En na verloop van eenigen tijd traden dan deze dwaling en deze zonde met elkander in bond, om onwaarachtige beginselen, die onze natuur geweld aandeden tot heerschappij te verheffen; en uit deze valsche beginselen systemata op te bouwen, die aan het onrecht een glimp gaven en in theorie als normaal stempelden wat feitelijk tegen den eisch van het leven inging.

Dit roekeloos spel met de samenleving is ook de Overheid van lieverlee gaan drijven. Want waarlijk de inmenging der Overheid in het sociaal probleem is geen nieuwigheid van onze dagen, men denke slechts aan de bepalingen van het burgerlijk recht, handelsrecht, erfrecht, belastingstelsel enz. enz.

Sluiten