Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAARTAL 1891

34

krachtens hetwelk de mannen der sociaal-democratie in Gods stoel gaan zitten, om nu uit eigen brein een nieuwe orde van zaken te scheppen.

Dit nog in het voorbijgaan aangestipt, kwam spreker ten slotte tot de vraag: Welke houding de belijders der Christelijke Religie tegenover deze sociatistische beweging hebben aan te nemen.

De geestelijke ellende, die in den nasleep van den stoffelijken nood komt, maakt nog sterker dan het nijpendst gebrek de menschelijke deernis gaande. En toch nu pas onze eerste zwakke poging, om in sociaal congres den doodsnood onder de oogen te zien, waar reeds voor twintig en voor dertig jaren onze Christelijke denkers zich hadden moeten opmaken om met iets van den ernst en met iets van den wetenschappelijken zin van een Marlo en Schaeffle de diepte van dezen nood te peilen. Er is dus niet weinig schade in te halen. Men bezie slechts de problemen, waarop het hier aankomt.

Voorop gaat daarbij het probleem van de majesteit onzes Gods. Immers wij, als Christenen, hebben juist in de sociale quaestie zoo sterk mogelijk nadruk te leggen op de majesteit van Gods gezag en de absolute geldigheid van zijn ordinantiën, om bij alle afkeuring van het vermolmd gebouw, waarin we thans saamleven, toch nooit een ander te helpen optrekken dan zulk een, dat rusten blijft, op het door God gelegde fundament.

Even beslist hebben wij in de tweede plaats partij te kiezen in het geding tusschen Staat en Maatschappij en wel zoo, dat wij èn voor den Staat èn voor de Maatschappij elk afzonderlijk een eigen spheer, een eigen souvereiniteit helpen handhaven.

Wordt in de derde plaats de vraag opgeworpen, of onze menschelijke maatschappij een aggregaat van individuên dan wel een organisch lichaam is, dan moet wel al wie christen is, zich aan de zijde der sociale beweging tegenover het liberalisme plaatsen.

Krachtig moet voorts het valsch systema van schuldige lijdelijkheid worden tegengestaan, waartoe de Noodlot-theorie van PanteTst en Pessimist ons wil verleiden; en even krachtig tegengestaan alle doldriftig ijveren van hen, die met aanranding van het gezag en schending der wet, eenvoudig tabuta rasa zouden willen maken.

En wordt in de zesde plaats door de sociale quaestie het vraagstuk van den Eigendom aan de orde gesteld; en beweert daarbij de één, dat alle begrip van eigendom absoluut is, terwijl de ander alle bijzonder eigendom in gemeenschappelijk bezit wil doen overgaan, dan heeft de man, die bij Gods Woord leeft, hier de eenig ware theorie die God ons in zijn ordinantiën gaf tegenover te plaatsen, en in zijn naam te getuigen, dat er van absoluut eigendom alleen bij God zeiven sprake kan zijn; dat al óns eigendom alleen slechts leenbruik, al óns beheer slechts rentmeesterschap is; en dat alzoo eenerzijds niemand dan de Heere, onze God, ons van de verantwoordelijkheid over dat beheer ontslaan kan, maar ook dat ge nooit een ander beheersrecht van Godswege kunt hebben, dan in verband met den organischen samenhang der menschheid, en dus ook met den organischen samenhang van haar goed. Wat de sociaal-

Sluiten