Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

41

JAARTAL 1891

zegen des Heeren sollen ook deze overdenkingen er toe medewerken, om bij velen, die nu nog voor zichzetven als een dorre boom zonder bloem of blad zijn, een heerlijke plantinge huns Gods te doen uitkomen, dat het „den Heere tot een naam zal wezen, en tot een eeuwig teeken, dat niet zal uitgeroeid worden".

Amsterdam, 1 October 1891. KUYPER.

Van de warme ingenomenheid, waarmee deze meditatiebundel ontvangen werd, getuigt de recensie van Ds. Sikkel in de Zuid-Hollandsche Kerkbode van 2 Januari 1892:

Dit boek moest nu ieder gereformeerde hebben. Niet slechts, omdat het zulk een schoon boek is en zoo keurig uitgegeven. Niet slechts, omdat er zooveel goeds in te lezen is en het zooveel stichting kan schenken. Niet slechts, omdat het zulk een kostelijke vrucht is, die de Heere ons weer door den arbeid van Dr. Kuyper wou doen toekomen. Maar omdat wat er in staat zoo noodig, zoo broodnoodig is voor onze gereformeerden. Omdat wat er in staat van onberekenbaar gewicht is voor het leven onzer kerken.

Aan het kennen, liefhebben en rechtgebruiken der sacramenten hangt het gezonde leven der kerken. Welnu die kennis, die liefde en die praktijk trachten de korte overdenkingen van dit boek te bevorderen.

Zoovele zonen en dochteren uit onze kringen hebben in de laatste jaren belijdenis des geloofs afgelegd zonder dat men een geschikt boek wist, om ze nog bij hun Bijbel ten geschenke te geven. Hier is er nu één. Men stelle hen dus schadeloos.

Maar hen niet alleen, 't Is een boek voor ieder, die ten avondmaal gaat; èn voor wie het verzuimt; 't is een boek voor wie belijdenis deed, èn voor wie het naar 's Heeren wil doen moet; 't is een boek voor wie een kind ten doop moet brengen, èn voor wie gedoopte kinderen heeft. Een boek ook voor ieder, die eenmaal gedoopt werd.

Stelle de Heere het tot een rijken zegen.

O. m. tegen wat Dr. Kuyper in Voor een distel een mirt geschreven had over het verband tusschen doop en wedergeboorte, werd in 1896 door den Kerkeraad der Gereformeerde Kerk te Bedum een bezwaarschrift bij de Generale Synode te Middelburg ingediend.

Deputaten voor de oefening van het verband met de theologische faculteit aan de Vrije Universiteit boden daarop een antwoord aan.

De Synode van Middelburg nam het bezwaarschrift uit hoofde van formeele gronden niet in behandeling, maar bleef haar vertrouwen betuigen in Dr. Kuyper en in de hoogleeraren van de Vrije Universiteit en van de Theol. School, die verklaard hadden principieel aan de zijde van Dr. Kuyper te staan.

In De Heraut van 4 October 1896 gaf Dr. Kuyper zelf onder het opschrift De Grond deze toelichting van het geschil:

De besluiten der Middelburgsche Synode mogen volstrekt niet in

Sluiten