Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAARTAL 1892

46

de politieke wedergeboorte van ons volk aller oog op hem gericht was.

De plechtigheid werd door een talrijke, aandachtige schare bijgewoond, die beide galerijen van het kerkgebouw vulde.

Van deze rectorale oratie schreef Ds. H. Beuker in De Vrije Kerk:

De Vrije Universiteit vierde 20 Oct. haar jaarfeest. Hierbij had, als naar gewoonte, de overdracht van het rectoraat plaats. De aftredende Rector, Prof. Kuyper, hield bij die gelegenheid eene rede over: „De verflauwing der grenzen," die we, zoowel uit een wetenschappelijk als uit een christelijk en godsdienstig oogpunt, niet aarzelen een meesterstuk te noemen. Kon men aan onze landsacademiën op zulk een stuk wijzen, hoe zou geheel de liberale pers, als in koor, den lof van den auteur als van een der grootste lichten dezer eeuw bezingen. Nu zal ze haar ignoreeren, of aan dit voor haar harde been gaan knabbelen, zonder het evenwel te kunnen beschadigen.

Men zou deze rede kunnen noemen een te velde trekken tegen het in onze dagen alom voortwoekerend pantheïsme. Dit pantheïsme, schoon op de katheders der zeer geleerden reeds geoordeeld, gaat toch nog voort om, pronkende met Darwins veêren, bij de halfgeleerden, in de dagbladpers en in het volksleven zijn hooge wijsheid te verkondigen en allerlei verwoesting aan te richten. Het beschouwt het kwade en het goede als uit éénen wortel voortgekomen en verflauwt zoodoende de grenzen tusschen het goede en het kwade, tusschen licht en duisternis, tusschen waarheid en leugen, tusschen heilig en onheilig, tusschen Kerk en wereld, tusschen hemel en aarde, ja tusschen Schepper en schepsel.

In 1893 verscheen: Grensbepalingen. Opmerkingen naar aanleiding van Dr. Kuypefs Rede over Verflauwing der Grenzen door B. Cuperus, Emer. Pred. bij de Doopsgezinde Gemeente te Zutphen. Het was de omwerking eener voordracht, door hem in Januari in een samenkomst van den Haagschen Protestantenbond gehouden.

Van Dr. Kuyper zegt deze schrijver in zijn inleiding:

Van uit zijn vaste burcht bestookt hij de hem omringende wereld met de werpsteenen zijner onverbiddelijke logica, schiet hij de pijlen van zijn vonkelend vernuft af op de dwazen, die van ontwikkeling, evolutie, droomen, dient hij in één woord, het meest krachtig protest in tegen den geest der eeuw, die door den verblinden waan van het Pantheïsme verleid, de maatschappij, de menschheid ten ondergang doemt, naar den chaos terugvoert. In den geest van Da Costa's, „Bezwaren tegen den geest der eeuw", maar nog snijdender, nog scherper zou ik bijna zeggen, verklaart deze christelijke strijder den oorlog, den strijd op leven en dood aan het streven, het zoeken, het woelen en werken, het vallen en opstaan der kinderen van dezen tijd met hunne onvervulde wenschen, hunne aspiraties, hunne laagheid en hoogheid, hun twijfelen en... vinden van God, den God van hun hart. 't Is al uit den booze, den vader der leugens.

Sluiten