Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAARTAL 1892

50

Ons dunkt reeds hierom niet, omdat Ds. Cuperus de oratie zelve zoo slecht las, dat hij zich telkens inbeeldt, dat ze voor Deputaten op een Deputatenvergadering gehouden is (p. 24 passim).

Een zeker nogal krasse vergissing, daar op den titel staat, dat ze gehouden is bij de overdracht van het Rectoraat; al de titels van Directeuren, Curatoren, Hoogleeraren enz. op den kop der oratie staan; en Ds. Cuperus zelf vermeldt dat het een rectorale oratie was (p. 24).

We begrepen hiervan dan ook zoo volmaakt niets, dat we den geachten schrijver om inlichting vroegen en metterdaad ten antwoord ontvingen, dat hij zich had ingebeeld, dat deze oratie niet voor Professoren, Curatoren en Studenten, maar voor Deputaten was gehouden. Ongetwijfeld een ongezocht bewijs, dat Ds. Cuperus zich onze Deputaten niet meer voorstelt, als behoorden ze tot het nier-denkend deel der natie.

Blijkbaar heeft Ds. Cuperus de oratie dan ook al zeer slecht gelezen, althans er op onvergeeflijke wijze uit geciteerd. Zoo stond op blz. 40 van de oratie dit:

„Maar wee u, als ten slotte in die legers zelf het gif binnensluipt, de kanker doorvreet Dan is het uit. Dan werpt het door uzelf gewapende volk, eer de zon over dien dag der wrake is ondergegaan, met één slag heel uw betooverende macht ter neder, en hoonend zal het u, na u verpletterd te hebben, nog toeroepen: Er zijn immers geen grenzen meer 1 Het is al Evolutie geworden. Wat anders was het wat wij ook tot stand brachten dan een moment, dat niet uit kon blijven, in uw pantheïstisch proces!"

Deze woorden nu citeert Ds. Cuperus met aanhalingsteekens, dus als letterlijk overgenomen, op p. 30 aldus:

„En waar dit wonder uitblijft, dé macht der revolutiemannen stijgt, het gif in de legers binnensluipt, het gewapende volk met één slag heel uw betooverende macht o! waardigheidsbekleeders van dezen dag! ter nederwerpt en u hoonend, na u verpletterd te hebben, nog toeroept: er zijn immers geen grenzen! — daar beklaagt ge u te'Iaat, het is al evolutie geworden, wat geschied is, was niets dan een moment, dat niet uit kan blijven in uw pantheïstisch proza."

Mag men zoo met aanhalingsteekens citeeren ? En wat zegt ge van dit Pantheïstisch proza in plaats van Pantheïstisch proces?

Treedt men zoo op in een ernstig debat?

Doch ook de bestrijding zelve is zoo uiterst pover.

De oratie besprak de verflauwing van de grenzen, die God in zijn schepping tusschen soort en soort heeft getrokken, met de daaruit afgeleide consequentie.

Wat stelt nu Ds. Cuperus hier tegenover?

Reeds zijn inleiding toont, hoe slecht hij de oratie niet alleen las, maar ook begreep.

In die inleiding toch krijgen we de private mededeeling, dat Ds. Cuperus, toen hij voor het eerst de grenzen overschreed in een spoor-

Sluiten