Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

89

JAARTAL 1895

zelf sprak ik uit, dat Keuchenius om mijn critiek op zijn Ministerschap gebelgd was; mij voor het leiderschap in de Kamer minder geschikt scheen; door mij, bij mijn samenwerking met den heer Lohman, was tégengewerkt; en in de electorale quaestie niet geheel op mijn standpunt stond.

Dit alles zeg ik niet nu pas, maar dat staat aldus in de biographie zelve te lezen.

De voorstelling, alsof ik deze citaten gegeven had met het opzettelijke„doel, om daardoor den heer Lohman onaangenaam te zijn, werp ik dan ook verre van mij.

Toen ik in Mei 1894 aangezocht werd, om de levensschets van Keuchenius te leveren, nam ik niet dan aarzelend die opdracht aan, en deed het, zonder ook maar met een haar van mijn hoofd te denken aan de brieven, die ik van Keuchenius bezat.

Gedurig heeft de redacteur van Mannen van beteekenis mij moeten manen, om aan deze studie te beginnen, zoo geweldig zag ik er tegen op.

Nu reeds een man als Keuchenius in beeld te brengen, is zoo ongelooflijk moeilijk. Beproef het maar eens!

Ook toen ik later aan den arbeid toog, had ik nog geen enkelen der brieven ingezien, en reeds een heel deel van mijn schets was voor den druk gereed, eer ik ze consulteerde.

Daartoe kwam ik pas, toen ik voor de vraag stond, hoe de tweede parlementaire periode van Keuchenius leven (van 1879—'89) te verklaren. Toen las ik ze door. En bij dat doorlezen bleef het woord van den ontslapen vriend mij al sterker prikkel In de consciëntie.

Jarenlang had ik Lohman tegenover Keuchenius gesteund, en op Keuchenius' tegenbetoog bijna nimmer genoegzaam acht geslagen. Maar thans, bij de geheel veranderde verhoudingen, ze herlezende, maakten diezelfde woorden, waar ik vroeger over heen las, op mij een zoo geheel anderen indruk.

Ze overtuigden mij dat ik Keuchenius onrecht had aangedaan, en steeds duidelijker trad de verplichting voor mij, om dat onrecht te herstellen.

Ik zelf ben het dan ook, die door die publicatie mij zeiven in min gunstig licht gesteld heb. Vooral mijn tegenwerking had Keuchenhts zoo pijnlijk aangedaan. Dat las ik uit eiken brief. En uit dien hoofde zou ik mijn recht als historieschrijver verbeurd hebben, indien ik het begane onrecht niet gebeterd had.

Zooverre is het er van daan, dat ik deze biographie de propos déttbéré zou ondernomen hebben, met het booze doel om een derde te treffen.

Na de uitgave heeft dan ook de zoon van Mr Keuchenius mij verzekerd, dat zijn vader metterdaad zeer veel onder deze pijnlijke verhouding geleden, en alleen uit nederigheid zich stil gehouden had.

Mocht, wie ook, de door mij meegedeelde feiten of voorstellingen wraken, dan ben ik natuurlijk te allen tijde tot verweer of rectificatie bereid.

Sluiten