Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAARTAL 1895

104

moet bij wijze van exeptie de verplichting opgelegd, om alsnog de diploma-gelden te storten, waardoor zij alsdan in de volle rechten der gediplomeerde werklieden treden.

21.

Zij die tusschen de 25 en 38 jaren zijn, moeten in de gelegenheid worden gesteld, om door de vrijwillige aanbieding van een verhoogde jaarpremie, in de volle rechten der gediplomeerden te treden.

Verplichtstelling ware ook voor deze klasse niet ondenkbaar.

22.

Aan hen, die van 39—55 jaar oud zijn, wordt de gelegenheid aangeboden, om tegen een verhoogde jaarpremie zich uitsluitend voor het pensioen te verzekeren; en de Overheid betale over deze zestien jaren de afloopende som, die alsdan nog aan deze premie ontbreekt, bij.

Voor het Rijk zal dit het eerste jaar een uitgave van zes, het volgende van nog geen vijf millioen bedragen, al spoedig dalende onder de drie millioen, en in zestien jaar geheel afloopende.

Overmits echter lang niet allen van deze gelegenheid gebruik zullen maken, zal het te kwijten bedrag op verre na niet zoo groot zijn.

23.

Aan de patroons moet de verplichting opgelegd, om ten behoeve van hen, die zich vrijwillig volgens Art. 21 en 22 hiervoor aanbieden, een afloopende premie, genomen over al hun werkvolk, te betalen zoolang tot de normale regeling intreedt.

24.

Op zulk eene of dergelijke wijze zoude voor de toekomst een normale regeling gevonden zijn, die den werkman voor goed aan het Pauperisme ontrukte, en voor de tusschenperiode althans ten deele raad zijn geschaft.

Lang bood Dr. Kuyper weerstand aan den drang om de Standaardartikelen die hij in verband met de quaestie der Pensioenregeling schreef, afzonderlijk verkrijgbaar te stellen. Vooral waar een Staatscommissie in aantocht was, scheen hem dit overbodig.

Toen hij echter merkte, dat de mannen van Patrimonium, die de nummers van De Standaard niet machtig konden worden, op het bezit van deze artikelen in afzonderlijken afdruk, ook voor onderlinge besprekingen prijs stelden, scheen langere weigering hem onheusch toe.

Slechts verzocht hij in zijn Voorwoord van 1 November 1895, dat niemand in deze artikelen iets meer zou zien dan een proeve, en wel een proeve, gelijk ze in dagbladartikelen populair moet en niet breeder kan worden opgezet.

Sluiten