Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

119

JAARTAL 1896

Naar de methode in dat advies gevolgd, zouden de leden der Vereeniging reeds door hun optreden een votum van wantrouwen tegen de Curatoren uitbrengen. Hun zou het betrekken van de wacht niet toekomen. Curatoren zouden alleen het gegeven onderwijs als zoodanig te beoordeelen hebben. En wie zijn ongerustheid motiveerde met hetgeen in het practisch optreden der hoogleeraren te bespeuren viel, zou reeds daardoor toonen, dat het hem niet om dat onderwijs te doen was, maar dat eene aan dat onderwijs geheel vreemde overweging hem leidde.

Daarom moest hier methode tegenover methode gesteld en uw beter oordeel beslisse, welke dier beide, de door mij aangeprezene of door mij bestredene methode, het meest in overeenstemming is met uw statuten; het beste strookt met uw eigen inspraak; en ons het veilfgst door de banken en klippen kan doen heenzeilen.

De wacht bij het beginsel moet ook door de leden zeiven betrokken, en zij als leden kunnen dit niet anders doen dan op gronden, ontleend aan hetgeen uitkomt in de practijk des levens.

Hierbij liet Dr Kuyper het. Opzettelijk onthield hij zich van elke toepassing.

Slechts op één punt kwam hij nog tot het concrete:

Mij is op Seinpost door den heer Lohman in diezelfde aanklacht verweten, dat ik nog in '90—'91, toen hij minister werd en als minister aftrad, zijn onderwijs had helpen ijken.

Ziehier de waarheid.

Van het eigenlijk onderwijs van den heer Lohman wist ik uit het onderwijs zelf in 1890 niets, en wèet ik nóg niets; wel wist ik dat hij ten leste wankel stond op het stuk der beginselen.

Dat dit tot principiëelen strijd zou kunnen, misschien zou moeten leiden, voorzag ik zeer wel, al gaf ik de hope niet op van een samensmelten in hoogere eenheid.

Maar als zijn ambtgenoot en vriend, achtte ik het niet goed, en niet betamelijk, van zijn ministerschap gebruik te maken om hem en de Universiteit te scheiden.

Het was mijne overtuiging, dat het ministerschap als intermezzo hem niet schaden mocht in zijne positie.

En daarom heb ik er toen op aangedrongen, eerst dat men hem niet ontslaan zou maar op non-activiteit stellen, en daarna dat men hem zonder voorbehoud in zijne positie zou herstellen.

Heb ik hierin mis gezien, het worde mij vergeven. Dit weet ik, dat ik uitsluitend uit vriendentrouw en ridderlijken zin destijds alzoo gehandeld heb.

En dat dit zoo is, weet ik niet alleen maar, wat meer zegt, weet mijn God.

Deze onuitgesproken rede werd ook reeds aanstonds geplaatst in De Heraut van 12 Juli 1896.

Sluiten