Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

121

JAARTAL 1896

woord is het inbegrip van heel ons Gereformeerde kerkrecht, in dichtertaal. Zoo moet het, het is de eisch des Heeren, en daarom goed; zoo is het liefelijk, want het zien reeds van zulk een samenzijn doet geestelijk weldadig aan.

Van den aanvang ging spreker nu over tot het slot van den psalm. Wie bidden zal moet eene begeerte koesteren, die hem naar zijn God uitdrijft, en onze begeerte voor de samenkomst der Kerken is naar datgene, wat het slot van dit lied in uitzicht stelt: den zegen des Heeren. „Want de Heere gebiedt aldaar den zegen, het leven, tot in eeuwigheid".

Wat is hier zegen? Niet welvaren in gezin en bedrijf, niet enkel geestelijke zegen. „Waar liefde woont", en dat heet dan, als er maar geen gekrakeel is, „gebiedt de Heer den zegen". Spreker toont aan dat deze opvatting niet de juiste zijn kan. Er is hier sprake van den zegen niet over den particulieren persoon, maar over de Kerke Gods, van haar uitkomen, van haar openbaring in het midden der wereld.

Er kan in de Kerke een arbeiden zijn, dat gedijt en ten doel voert, of een ondernemen, dat tegen haar bestemming ingaat en uitloopt op verspilling van kracht. Een kleine kerk, bij de wereld veracht, die volbrengt, waartoe God haar uitzond, die kerk is gezegend van den Heere. Daarentegen eene kerk, hoe groot in zielental en rijk naar de wereld, die een ander werk dan dit werk Gods werkt, moet den zegen des Heeren derven en telt voor den gang van het Godsrijk niet meer mede.

Dit werd aangetoond in de geschiedenis van Israël. Wat Babyion eens arbeidde, ging smadelijk onder; de woeling der Pharaöhen heeft nog slechts oudheidkundige beteekenis; de macht van den keizerstroon te Rome liet slechts de heugenis van zijn ontzenuwende weelde. Alleen op hetgeen de kerk des Ouden Verbonds leed en doorstreed, rustte het eenige, waar het alles aan gelegen is: de zegen des Heeren.

Onze vaderen geloofden, dat God één machtig werk door alle eeuwen heen volbrengt; ze beseften, hoe dit werk Gods door hun eigen bloed en door hun eigen ziel heenging en bekenden de roeping van de kerke Gods, om in dat groote werk mede te werken.

Om dat hooge doel te bereiken spanden ze al hun kracht in. De waarheid Gods op het zuiverst belijdend, maakten zij den Naam des Heeren tot een macht in heel het maatschappelijk leven. Ze hadden het begrepen dat niet de korenmaat het licht moest opsluiten, maar dat het licht schijnen moest van den kandelaar de ruimte in, en in de lichtgolven der wereld moest indringen. De Synode van Dordrecht was in den vollen zin des woords een wereldgebeurtenis; want al wat destijds meeleefde, gevoelde het, hoe de in Dordrecht bezegelde geloofs- en levensovertuiging metterdaad het gelaat van vele volkeren en onder deze ook van Nederlands volk, veranderd had.

Sluiten