Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

147

JAARTAL 1898

En het is nu deze roeping van deze Overhoogheid, die vervalscht en in haar tegendeel verkeerd wordt, als de Staat, in plaats van de vrije werking dier eigen kringen te eerbiedigen en te beveiligen, die kringen zelf inbuigt en in den Staatskring oplost.

De Overheid, zelve „bij de gratie Gods" bestaande, mag niet aanranden wat bij diezelfde „gratie Gods" in allerlei anderen levenskring bloeit."

En verder:

„Zoo is de constitutie ontstaan, die overleg mogelijk maakt en waarborgt, die over en weer grenzen afbakent, de grondslagen legt voor wederzijdsche verhoudingen. Maar zij verzint geen grens, zij volgt de grens, die uitwijst wat eenerzijds als onvervreemdbaar recht aan het volk, anderzijds als macht aan de overheid, en aan beiden bij de gratie Gods is verleend.

Niet een volk eerst rechteloos onder een vorst, die straks ja, rechten schenkt, maar die hij evengoed ook niet kon schenken; maar dat volk in het bezit van rechten en van vrijheden en geen Overhoogheid van wien ook huldigend, alvorens die rechten gewaarborgd en de vrijheden verzekerd zijn.

Niet een contract social alzoo, maar een pactum tusschen een natie, die bij de gratie Gods bestaat, met een Overheid die bij dezelfde gratie Gods over haar regeeren zal.

Niet een verdrag tusschen twee Staatsmachten, want de staatsmacht kan bij een ontwikkelde staatsinrichting niet dan één zijn.

Maar wel een verbond tusschen die Staatsmacht en het Volk, dat met zijn rechten en vrijheden in dien Staat leeft.

Minder juist wordt het aktestuk van dit Verbond onder ons Grondwet geheeten, doch ook zóó toch is die grondwet in beginsel de bevestiging van wat als constitutioneele rechten en vrijheden elk Nederlander niet slechts liefheeft maar verweert en moet verweren, juist omdat hij ze niet bij vorstengunst maar bij de gratie Gods bezit.

De hernieuwing van dat verbond bij het overgaan der Kroon is de plechtige Inhuldiging.

De nieuwe Koningin draagt de Kroon reeds eer Zij, om dit Verbond persoonlijk te bezegelen, tot haar volk komt, want zij is Koningin door geboorterecht. Haar Kroon komt Haar van haar Koninklijken Vader.

Maar als zijnde reeds „Koningin bij de gratie Gods" tot haar volk naderend, erkent zij dat er ook in dat volk rechten zijn, die evenzoo uit de gratie Gods zijn nedergedaald; en daarom zweert zij Harerzijds, die rechten en vrijheden te zullen eerbiedigen, en laat zij zich door het aldus in zijn rechten erkende en bevestigde volk trouwe zweren. En het volk zweert Haar die trouw, niet omdat in Leger en Justitie de sterke arm Haar ten dienste staat, maar omdat het volk diep eerbiedig buigen wil voor het gezag, dat door Haar bij de gratie Gods heerscht.

Voor het aangezichte Gods moet daarom dit verbond tusschen Koningin en Volk op 6 September persoonlijk bezworen worden.

Sluiten