Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

149

JAARTAL 1898

Synodaal gehaspel en reglementair gewriemel eigenlijk iets, hoe gering ook aan Jezus' wezenlijke eere wordt te kort gedaan.

Dit maakt dat ze voor de aanranding van Jezus* Koninklijke majesteit, die hierin gelegen is, Zoo goed als niets voelen.

En al is het dan ook, dat ze u toestemmen, dat het ja, zeer wenschelijk zou zijn, bijaldien we aan heel den Synodalen winkel een einde konden maken, toch weegt dit niet zoo zwaar bij hen, dat ze daarom zich gedrongen gevoelen zouden om tot ernstige stappen over te gaan.

En dat vooral niet, als er zooveel heerlijks tegenover staat, als daar is de rust en vrede in de gemeente, de predicatie in breeder kring, en dan ook eigen verzekerde positie.

Het behoeft dan ook volstrekt niet te verwonderen, dat nog zoo velen thans verre blijven staan. Eer voegt ons zekere verbazing dat het gevoel voor de teedere eere van Jezus' Koningschap reeds in zoo korten tijd bij zoo velen doordrong.

Ook bij de anderen zal het later wel doordringen. Ook over hen zal wel klaarder en helderder licht opgaan. Maar op dit oogenblik zijn we daar nog niet aan toe. Ze zijn nog zoo ver niet. Voor hen zou het dus een roekelooze sprong zijn, dien ze nog niet durven wagen.

De diepste oorzaak voor deze ongevoeligheid schuilt in hun verwaarloozen van wat de Artikelen belijden: „Ik geloof eene heilige, algemeene, Christelijke Kerk." Hun kerkbegrip is reeds lang opgesmolten, deels in een overgeestelijk begrip van het Koninkrijk Oods, en deels in een genootschappelijk begrip van een kerkelijke afdeeling.

In den grond zijn ze Darbistisch getint

Eigenlijk verachten ze alle kerk. Ze willen wel een prediking des heils. Ook houden ze de Sacramenten nog wel bij. Maar een kerk hadden ze reeds lang niet meer. En wat nog als kerkgenootschap dank zij de Synodale stutten, staan bleef, dat hebben ze nooit als de eigenlijke kerk beschouwd, maar hoogstens als een soort administratief-bureaucratisch lichaam om orde te houden, positie te verzekeren, en uitbetaling van gelden te waarborgen.

Dusdoende is er een absolute scheiding tot stand gekomen tusschen hun geestelijk bedoelen voor den Heere, en hun kerkelijk leven. Die twee liepen naast elkaar. Zoo hoog als het eerste stond, zoo laag zonk het laaste. En zoo is het gekomen, dat men voor de eere van Jezus wel alles voelde op geestelijk erf, maar ter wereld niet vatten kon, hoe het Jezus nu iets deren kon, hoe men hier op aarde zijn kerkgenootschap inrichtte.

Dit fatale dualisme is vrucht van de verachting waarin het radicalisme de kerk had gebracht

De kerk gold voor niets meer. Ze was alleen nog goed om er op te smalen.

En terwijl het „Koninkrijk Oods" een bezielende formule wierd, waar zelfs Modernen en Groningers op hun wijs meê dweepten, zonk het denkbeeld van Kerk zoo diep weg onder de algemeene versmading, dat het bijvoegsel „Kerkelijk" reeds op zichzelf genoeg was, om u als brandmerk in de publieke opinie te worden aangerekend.

Sluiten