Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

165

JAARTAL 1899

Spreker begon met aan te toonen, dat de stroom der symbolische religie in den laatsten tijd in de Engelsche wereld bijna heerschende was, en op ernstige wijze ons Calvinistisch kerkelijk leven bedreigde. En dan vervolgt hij:

Zoo staan de zaken in Engeland. In Schotland, in Wales, in uwe Oostelijke staten, in Nederland, in Zuid Afrika, en waar ook maar de geest van Calvijn een meer degelijke, absolute en duurzame overwinning behaalde, zet deze beweging nog pas hare eerste wankelende schreden. De stem, die daar roept van het bloed der martelaren, wordt niet opeens gesmoord. Men zou echter zijn oogen voor de werkelijkheid moeten sluiten, pm te.ontkennen, dat die beweging reeds onze huizen doorgraven en haar verwoestende werking begonnen heeft. Hoewel nog op zeer kleine schaal, toch heeft afval reeds plaats gehad. Bovenal moet de prediking kort zijn. De verschillen tusschen de eene kerk en de andere moeten op den achtergrond geschoven. In de religieuze geologie moet de dogmatische laag diep onder den grond liggen en zeer dun zijn. Het gewone publiek weigert vermoeid te worden door zulke ouderwetsche documenten als confessies of catechismussen. Op dit punt wordt de breuke tusschen ouders en kinderen al grooter en grooter met ieder opvolgend geslacht. En vooral onder de meer ontwikkelde klassen dringt men aan op mooie kerkgebouwen met hooge torens en fraaie gewelven, op prachtige orgelmuziek en uitstekende kooren en solisten. Hier en daar wordt deze voldoening der artistieke behoefte zelfs veel dringender geëischt dan de zuiverheid der apostolische waarheid.

Er valt in den laatsten tijd een nieuwe religieuse strooming waar te nemen.

Men moet echter niet uit het oog verliezen, dat deze nieuw-opgekomen vooringenomenheid met het religieuze element van een zeer eigenaardige soort is. Zij is geheel beroofd van elk persoonlijk en beslist karakter. Zoowel in de dagen der Apostelen als in den tijd der Reformatie, sproot de wederopleving van het geestelijk leven voort uit den dorst der ziele naar den levenden God om zaligheid en eeuwigen vrede. In beide perioden was de kreet der verontruste consciëntie: Wat moet ik doen om zalig te worden? Nu daarentegen wordt zulk een worstelen der ziel niet waargenomen. Het is geen Augustinus die uitroept: Inqutetum cor meum donec requiescat in Te o Domine, d.i. mijn hart is onrustig in mij, totdat het rusten kan in U, o God. Het is geen Luther kruipende op de trappen van het Vaticaan voor de redding zijner ziel. Het is geen Calvijn, die iederen ernstigen man en iedere ernstige vrouw toeroept, niet te rusten voor zij de bron van hunne persoonlijke redding in Gods vrijmachtig welbehagen gevonden hebben. Niets van dat alles. In deze nieuwe religieuze strooming is geen vraag naar de verlossing van zonde, er is geen verlangen naar verzoening, nergens de begeerte naar een bewuste persoonlijke hereeniging met den levenden Qod, onzen Vader, die in de hemelen is.

Sluiten