Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

171

JAARTAL 1899

natuur niet het kunstleven van de Zuidelijke volken te wekken. Maar dit alles raakt niet de kunst zelve.

Aangetoond wordt nu le. dat de onthouding van een eigen kunststijl niet tegen het Calvinisme, maar juist voor zijn hoogeren trap van ontwikkeling pleit; 2e. wat hooge opvatting omtrent het wezen der kunst uit de Calvinistische belijdenis voortvloeit; en 3e. op wat doortastende wijs het Calvinisme den bloei der kunst èn principieel èn concreet bevorderd heeft. Ten slotte wordt in het bijzonder de beteekenis van het Calvinisme voor de muziek uiteengezet.

VI. Het Calvinisme en de toekomst. De teekenen der toekomst zijn onheilspellend. Op de vraag of zich uit de geestelijke gezonkenheid onzer dagen door natuurlijke evolutie nog een nieuwe, hoogere levensphase zal kunnen ontwikkelen, is het antwoord verre van bemoedigend. De school der Revolutie heeft gebroken met de Christelijke traditie en erkent geen ander uitgangspunt dan Empirie en Rede. Ook van de zijde van altruïsme en mysticisme daagt geen redding. Evenmin is van Rome de redding der toekomst te wachten. Alzoo kan alleen op de lijn van het Protestantisme positie worden genomen. Echter niet bij de practische richting, die zich terugtrekt op allerlei „Christelijke werkzaamheden" door philantropie, evangelisatie en missie; noch bij de mystieke richting, die haar kracht vindt in het onderscheidslooze gemoedsleven. Maar we hebben de vergeten grondlijnen van het Calvinisme weer op te zoeken, en die door te trekken naar den eisch, van ons thans zooveel rijker ontwikkeld leven. Wat Dr. Kuyper hier vraagt komt in hoofdzaak op deze vier neder: le. dat ge het Calvinisme niet langer voorbijziet waar het nog is, maar het sterkt waar het nog nawerkt; 2e. dat ge weer studie van het Calvinisme maakt opdat ook de buitenwereld het kennen moge; 3e. dat ge het weer principieel toepast op de onderscheidene terreinen des levens; en 4e. dat die kerken, die nog heeten het te belijden, dan ook mogen ophouden zich de Gereformeerde belijdenis te schamen.

Ten slotte kiest Dr. Kuyper tegenover de theorie der Selectie voor de Electie. En hij eindigt zijn laatste lezing met deze woorden:

„Er is geen twijfel, of ook de periode, die wij thans doorleven is religieus zeer laag gestemd en mist den heroïschen gloed. Zoo God zijn Geest niet uitzendt, komt er geen kentering, en gaat de afloop der wateren angstig snel door. Maar ook gij kent de Aeolusharp, die men in het vensterkozijn legt opdat de wind er zijn hemelsche accoorden op spele. Zoolang nu de wind uitblijft, geeft ook die harp geen toon; maar, ook al komt de wind, zoo die harp niet gereed ligt, moogt ge een blazen en suizen van den wind beluisteren, maar komt er geen atmosferische muziek. Laat dan het Calvinisme niets dan zulk een Aeolusharp zijn, welnu, dan zegt dit alleen, dat ook het Calvinisme zonder den Geest des Heeren volslagen machteloos is. Maar juist hieruit volge dan ook voor ons de dubbele

Sluiten