Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAARTAL 1899

188

het: Je Maintiendrai, op het wapenschild der Oranje's. Op onze persen is alles, alles gedrukt wat men heeft verboden in grootere rijken. Dat was onze nationale roem. En thans meent geheel Europa dat wij zoozeer zijn vervallen van de deugden onzer vaderen, dat wij onder den aandrang van den sultan het vrije woord dorsten weigeren aan de slachtoffers van een bewind, dat voor altijd een vlek zal blijven aan het einde dezer eeuw.

In deze omstandigheden was het eenige middel om ons land van deze smet te bevrijden, aan de geheele wereld te toonen, dat de plagerijen van onze politie, wel verre van de uiting te zijn van de publieke meening, werden afgekeurd en zonder voorbehoud veroordeeld door de geheele natie...

Het aandachtig gehoor, dat reeds eerder blijken van sympathie met het gesprokene had gegeven, viel hier den spreker met een krachtig applaus in de rede.

Gelukkig — vervolgde Dr Kuyper, toen het weder stil was geworden — gelukkig heeft onze Nederlandsche pers met zeldzame eenstemmigheid krachtig en zonder aarzeling geprotesteerd. In alle kringen, in alle gesprekken heeft men slechts één stem gehoord: een krachtige afkeuring van deze beleediging der nationale eer, van het geweten der menschheid, van de heiligheid der smart

En zinspelende op de laatste, treffende plaat van het Groene Weekblad, eerend „den bewonderenswaardigen Braakensiek" — een hulde waarmede het gehoor lachende instemde — vervolgde de redenaar: onze bewonderenswaardige Braakensiek heeft het zoo juist uitgedrukt, ofschoon de kop van den Nederlandschen Leeuw zich buigt voor den Sultan, blijft die leeuw het schandaal verfoeien; hij slaat met zijn staart, heft dien op, strekt hem, zwaait hem fier in het rond.

Daarom dus hebben wij volgehouden en gewild dat hier in de hoofdstad zelve, in dat centrum van het leven waar het hart van heel het land klopt, een der pleiters voor de zaak van dat volk, (schapen gevoerd ter slachtbank) zijn stem van wanhoop zou doen hooren, en wij rekenen ons gelukkig, dat een van dezen aan onze roepstem gehoor heeft willen geven.

„Daarom is het mij een eer, bij u in te leiden Minas Tchéraz, den vrijwilligen balling zelf, den trouwen en van ijver bezielden tolk van het lijden en de hope van dat volk, tegen hetwelk men zoo meedoogenloos is opgetreden. Hij is 't die terugkomend uit Parijs, de eer van ons land gaat redden".

En nu zich tot den spreker wendend:

„Zoo geef ik dan aan u het woord, Tchéraz. Zeg vrij uit en zonder vrees al wat gij wenscht te zeggen. Aan ons de verantwoording! (Daverende toejuiching). En gij, mijne heeren, ten teeken van een algemeen excuus voor 't geen te 's Gravenhage is gebeurd, begroet Tchéraz, begroet hem warm met een salvo van handgeklap.

Een langdurig applaus volgde op deze hartelijke woorden, en op levendige en zeer sympathetische wijze werd de gevraagde hulde aan den heer Tchéraz, en in hem aan zijn verdrukt en mishandeld vaderland, gebracht

Sluiten